© Jean-Baptiste Millot
RADAR

“Het klikte meteen, zowel op muzikaal als menselijk vlak.”

Interview

Ze komen uit verschillende generaties, maar delen een liefde voor (Franse) barok: fluitist François Lazarevitch (Les Musiciens du Louvre) en klavecinist Justin Taylor.

Hoe is het avontuur van Les Musiciens de Saint-Julien begonnen?
François Lazarevitch:
Tijdens mijn studies had ik nog helemaal geen ‘carrièreplanning’. Ik was alleen maar in de ban van de wereld van de oude muziek. Ik wou alles ontdekken, alles spelen … Ik wou het werk van de pioniers van de oude muziek voortzetten, en dat heeft geleid tot de oprichting van mijn ensemble. Intussen is de oude muziek geïnstitutionaliseerd, maar oorspronkelijk (eind 19e, begin 20e eeuw) moest je al erg origineel uit de hoek komen om je aan een dergelijk avontuur te wagen.

In 2016 mocht het ensemble tien kaarsjes uitblazen. Hoe blik je terug op dat decennium? Bent je nog altijd even gretig?
F. L.:
Ik ben tevreden over het werk dat we tot nog toe hebben geleverd. Onze discografie is erg uiteenlopend en origineel, en steekt af tegen het huidige muzikale landschap. Ze is ook weleens een inspiratiebron voor jonge gezelschappen. We hebben samengewerkt met theater- en dansgezelschappen, met koren …
Mijn motivatie is altijd dezelfde gebleven. Er zit ook een zekere maturiteit in mijn werk, en het publiek volgt ons regelmatig. Dat stemt me gelukkig. Onze muziek raakt de mensen en ze vragen ons dan ook om door te gaan. Niets wat je meer motiveert dan dit, in een tijdperk waarin de ‘klassieke’ muziek niet altijd de plaats krijgt die ze verdient.

© Jean-Baptiste Millot
© Jean-Baptiste Millot

Welke herinneringen hou je over aan uw bezoeken aan BOZAR?
F. L.:
Het allereerste concert van Les Musiciens de Saint-Julien in BOZAR dateert van 2011, maar ik was er al eerder geweest, samen met het vocaal-instrumentale gezelschap Capilla Flamenca. Ik raak nog altijd geëmotioneerd als ik terugdenk aan zijn oprichter Dirk Snellings, die ons te vroeg heeft verlaten.
Het concert dat we in 2011 hebben gespeeld, kaderde overigens in een van onze allereerste tournees. Ik hoorde onze muziek met elk concert rijper worden, en dat vond ik heerlijk. Ik was ook in de wolken toen ik in de zaal van het Conservatorium mocht spelen, want ik had er drie jaar gestudeerd aan de zijde van Barthold Kuijken.

Justin, over naar jou. Het internationale publiek kon voor het eerst kennismaken met je uitzonderlijke talent tijdens de klavecimbelwedstrijd Musica Antiqua in Brugge in 2015. Hoe blik je terug op die ervaring?
Justin Taylor:
Ik heb er heel mooie herinneringen aan overgehouden. Het was een dol avontuur dat ik helemaal niet had verwacht. Ik had het gevoel dat ik de stukken die op het programma stonden met volle overgave had gespeeld, maar ik had nooit verwacht dat ik er ook de eerste prijs zou wegkapen. In het algemeen wordt de wedstrijd klavecimbel met veel enthousiasme onthaald door het talrijk aanwezige en hartelijke publiek.

Jean-Henry d'Anglebert, Sarabande / Justin Taylor

Hoe is het nadien gelopen?
J. T.:
Ik heb aan veel mooie projecten mogen meewerken en ik heb mijn eerste plaat opgenomen. Ik had het geluk dat ik zelf mijn repertorium mocht kiezen, en ik ben het platenlabel Alpha heel erkentelijk dat ze me dat programma rond de familie Forqueray lieten opnemen. Daarnaast heb ik ook samengewerkt met gezelschappen zoals Le Poème Harmonique (Vincent Dumestre), en heb ik een paar maanden later met Le Consort mijn eigen ensemble gevormd.

Hoe hebben jullie elkaar leren kennen?
F. L.:
Ik heb de naam Justin Taylor horen vallen nadat hij de wedstrijd in Brugge had gewonnen. Daarna zijn we elkaar in 2016 tegen het lijf gelopen tijdens een concert in de Chapelle Corneille in Rouen en heb ik hem voorgesteld samen iets te doen rond de sonates van Bach.
J. T.: Het klikte meteen, zowel op muzikaal als menselijk vlak. Sinds de zomer van 2016 speel ik geregeld samen met Les Musiciens de Saint-Julien. En daar ben ik dolblij om.
F. L.: We werken momenteel ook aan een nieuw duoprogramma …

Die samenwerking krijgt gestalte in BOZAR, in de vorm van een ‘portret’. Hoe was jullie reactie op die uitnodiging?
F. L.:
Ik was natuurlijk verheugd. Justin is een muzikant die zijn feilloze techniek ten dienste stelt van een grote fijngevoeligheid. Voor de muzikant Justin heb ik alle waardering omwille van zijn luistervaardigheid, zijn souplesse en zijn liefde voor de Franse muziek. En als mens is hij heel minzaam en eenvoudig. Deze uitnodiging biedt ons meteen ook de kans om verschillende aspecten van onze artistieke praktijk in de kijker te zetten. En we hebben nog heel wat andere originele projecten lopen die we graag willen delen met het publiek van BOZAR.
J. T.: Ik voel me vereerd. Ik ben niet alleen artist in residence in BOZAR, ik mag ook nog eens samenwerken met François Lazarevitch. Ik heb een enorme waardering voor François. Als geen ander beheerst hij een hele waaier van instrumenten. Hij weet perfect waar hij zelf naartoe wil, maar hij geeft de anderen ook ruimte. Bovendien slaagt hij erin om alle stukken die hij speelt, leven in te blazen.

Justin Taylor, dankzij dit ‘portret’ kunnen we je leren kennen als solist, kamermusicus en continuospeler. Is die verscheidenheid typerend voor een klavecinist?
J. T.:
Absoluut. Die verschillende aspecten van het klavecimbel vullen elkaar niet alleen aan, ze zijn ook onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ik treed erg graag op als solist, maar ik speel net zo graag kamermuziek en basso continuo. Ik vind het boeiend om die verschillende praktijken met elkaar te verbinden: je gaat op zoek naar de formules van het solospel die je kunt verwerken in de begeleiding, je past de arpeggio’s van de basso continuo aan de solostukken aan … Dat is het begeesterende van de oude muziek.

© Jean-Baptiste Millot
© Jean-Baptiste Millot

Je neemt het eerste concert in een reeks van drie helemaal voor jouw rekening. Welk programma mogen we verwachten?
J. T.:
Het wordt een reis door de 18e eeuw. In die eeuw, die me na aan het hart ligt, hebben er zich ongelooflijke evoluties voorgedaan: wat stijl betreft, moest de barokmuziek plaatsmaken voor de klassieke muziek, en op het vlak van de instrumentatie deed de pianoforte geleidelijk aan zijn intrede.

Voelen het klavecimbel en de pianoforte anders aan?
J. T.:
Ondanks de stilistische continuïteit tussen beide instrumenten, hebben ze een heel verschillende aanslag. Op het klavecimbel voel ik elk plectrum voor ik de snaar tokkel. De pianoforte is daar in niets mee te vergelijken. Dat is een instrument dat elk vals accent genadeloos afstraft.

Wat is je favoriete onderdeel van het programma?
J. T.:
La Forqueray van Boutmy, een Belgische componist.

Na die solouitvoering wacht ons het concert “De kunst van het portret” dat jullie in trio zullen brengen.
F. L.:
In dit programma komen drie componisten uit de tijd van Lodewijk XV aan bod, met name Forqueray, Rameau en Leclair. We zullen buitengewone werken brengen van die drie genieën, waaronder ook de muzikale portretten die ze van elkaar hebben gemaakt: La Rameau van Forqueray, La Forqueray van Rameau, La Leclair van Forqueray …

Hoe verklaar je het enthousiasme voor die praktijk?
F. L.:
Muzikanten hebben altijd al graag geschilderd met muziek: vogelgezangen, het rumoer van een marktplaats, de geluiden van Parijs, de oorlog, noem maar op. Met Couperin was er in de Franse barok al sprake van de portretkunst. In diezelfde periode verscheen ook Caractères van La Bruyère. Maar in de eeuw van de Verlichting ging de portretkunst een nieuwe fase in en deed ze ook haar intrede in de literatuur en de muziek. Het was een soort van gezelschapsspel dat in de eerste plaats draaide om de psychologie van het uitgebeelde model.

Je had je geen betere partners kunnen wensen voor de interpretatie van die muziek.
F. L.:
Lucile Boulanger en Justin Taylor zijn twee schitterende artiesten. Ik heb een enorme waardering voor hun muzikale kwaliteiten – hun fijngevoeligheid, hun precisie – en voor hun aandachtige oor en hun bereidheid om een gemeenschappelijk project te dienen. Beiden zijn zeer beslagen in de Franse muziek.
J. T.: De strijkstok van de viola, de luchtstroom van de fluit en het plectrum van het klavecimbel met elkaar laten samenvallen, dat is precisiewerk, maar met Lucile en François wordt dat nog eens zo boeiend.

En dan is er ook nog eens Sandrine Piau, die de rangen van Les Musiciens de Saint-Julien zal versterken voor een concert dat is gewijd aan de Franse cantate.
J. T.:
Dit is onze eerste samenwerking, en ik zie er reikhalzend naar uit.
F. L.: Sandrine Piau hoeft niet meer voorgesteld te worden. Tegenwoordig is ze vooral te zien op operapodia, maar ze heeft ontzettend veel ervaring met dat meer intimistische repertorium dat ze nu met veel plezier, zo denk ik toch, opnieuw kan brengen. Hoe minimalistischer een werk is, hoe veeleisender het wordt voor de artiest. Om een Franse cantate te brengen, moet je als uitvoerder beschikken over een uitmuntende uitspraak en een rijk kleurenpalet. Dat zijn twee kwaliteiten waarover Sandrine Piau in hoge mate beschikt.

Op het programma: de Fransman Clérambault en de Duitser Telemann. Vanwaar de combinatie van die twee grote figuren?
F. L.:
Louis-Nicolas Clérambault is een van de grootste componisten uit de eerste helft van de 18e eeuw. De rijke harmonische taal, de perfecte overeenstemming tussen woord en muziek, de verscheidenheid aan melodische behandelingen … Al die elementen maken van zijn cantates meesterwerken met een buitengewone elegantie en kracht.
Ik wou wat afwisseling brengen in het programma, dat tegelijkertijd een eerbetoon moest worden aan Telemann die dit jaar 250 jaar dood is. Telemann heeft in eigen land altijd een lans gebroken voor de Franse muziek en heeft zelfs betere werken gecomponeerd dan de Fransen. Het Kwartet in e voor fluit, viool, viola da gamba en basso continuo dat we zullen spelen, komt uit de Nouveaux Quatuors of Quatuors parisiens die Telemann componeerde naar aanleiding van zijn verblijf in Parijs in 1737. Hij was er uitgenodigd door een aantal Franse muzikanten die het werk in zijn bijzijn hebben uitgevoerd.

François Lazarevitch plays CPE Bach Allegro from Sonata in a minor

Wat staat er dit seizoen nog voor jullie op het programma?
J. T.:
In oktober starten de opnames van mijn tweede plaat, die is gewijd aan Scarlatti en Ligeti. Daarna volgen nog een cd met onuitgegeven werk van Johann Sebastian Bach bij Deutsche Grammophon en een andere cd met Franse cantates, samen met mijn ensemble. Wat concerten betreft, breng ik nog een programma rond Bach en Vivaldi, en een ander programma dat is gewijd aan de onvoltooide werken van Mozart … Dat zijn dus heel wat begeesterende projecten.
F. L.: Dit seizoen spelen we nog onze Vivaldi-programma’s en The High Road to Kilkenny (oude Ierse muziek). We werken ook aan een nieuw programma dat is gewijd aan de betoverende muziek van Purcell, in een bezetting van strijkers en fluiten, en met contratenor Tim Mead. Als artist in residence geven we ook drie concerten in het Schloss Sanssouci in Potsdam. Als Normandisch gezelschap brengen we samen met Normandische kerkkoren (Caen en Rouen) ook een Telemann-programma. We zullen Couperin spelen in het kader van de verjaardag van zijn geboorte. Ik heb ook zin om de muziek van Bach verder te verkennen, en ik denk aan een aantal projecten die aansluiten op ons Ierse en Schotse opus. Ten slotte organiseren we ook nog muziekstages. Nee, we zullen geen tijd hebben om ons te vervelen.