Jean-Pierre Leloir, Courtesy of the artist
RADAR

100 jaar Thelonious Monk

Van muzikant in de schaduw tot monument van de jazz

Op 10 oktober 2017 is het precies 100 jaar geleden dat de eigenzinnige jazzpianist en -componist Thelonious Sphere Monk werd geboren in een klein stadje in North Carolina. Hij maakte snel kennis met de piano en wat daarna volgde, is een grillige geschiedenis waarin de koppige muzikant onverstoorbaar de unieke lijn bleef bewandelen die hij voor zichzelf had uitgezet. Pas na decennia van hard werk onder de oppervlakte kreeg Monk het succes en de erkenning die hij verdiende. In een reeks jazzconcerten brengt BOZAR dit seizoen hommage aan de erfenis van Monk. En die oogt bepaald indrukwekkend: niet alleen heeft Monk zowat elke pianist na hem beïnvloed, hij heeft ook een dijk van een repertoire bijeen geschreven waarmee hij mee vorm heeft gegeven aan de bebop.

Nog lang voordat “modern jazz” een stroming op zich was, experimenteerden jazzmuzikanten in de jaren 1930 met moderne, avant-gardistische procedés – vaak in navolging van wat zich toen afspeelde in de wereld van de klassieke muziek. Al in de jaren 1931 vergeleken journalisten Duke Ellington met Stravinski en Ravel. Nieuwe speeltechnieken, bizarre harmonieën en complexere ritmes; dat waren de ingrediënten waar de nieuwe generatie jazzmuzikanten mee aan de slag ging.

 

Laboratorium van de bop

Toen Thelonious Monk vier was, trok zijn gezin naar New York. De aanschaf van een pianola midden jaren 1920 ten huize Monk inspireerde de jonge Thelonious tot het volgen van pianolessen. Hij was toen 11. Zijn eerste invloeden als pianist haalde hij uit de bleus, hymnezang, swing, boogie en de typische “Harlem stride”, afgeleid van de ragtime. Als tiener trok hij van optreden naar optreden in kleine zaaltjes en clubs; op zijn zestiende trok Monk zelfs rond in het kielzog van een Evangelische groep. Een jaar later greep Monk net naast een beurs voor de befaamde Juilliard School of Music. Dan, in de vroege jaren 1940, belandde hij op zijn 23e uiteindelijk in Minton’s Playhouse in Harlem, waar hij huispianist werd.

Het is in deze beroemde jazzclub dat de evolutie van swing naar bop zich grotendeels voltrok. De “early modern jazz”, al gauw bekend onder de noemer “bebop” of “bop”, werd een duidelijker afgelijnde stroming in de naoorlogse periode. Het was een reactie op de dominante (commerciële) swingmuziek van de voorgaande decennia, op de makkelijke melodieën, de dikke big band-klank, de functie van jazz als dansmuziek op feestjes. De bebop laat zich daarentegen kenmerken door veelal kleinere combo’s, meer ruimte voor improvisatie, lange muzikale frasen en een vrije vorm. Het historische belang van wat toen in die club gebeurde, bleek echter pas vele decennia later. “I wasn’t thinking about trying to change the course of jazz. I was just trying to play something that sounded good. […] Bebop wasn’t developed in any deliberate way”, zei Monk later over zijn periode bij Minton’s.

 

In de schaduw

Bebop vond als stroming in de jaren 1940 dan wel duidelijker vorm, het bleef een subcultuur voor hipsters. Het genre was evenzeer bepaald door een sociale context, als door stilistische keuzes. Zelfs binnen de jazz waren beboppers outsiders: een onderklasse in een onderklasse. (Bebop)jazz had een intellectualistisch kantje, inclusief geitensikken, baretten en brillen – het best en meest iconisch tot uiting gebracht door Thelonious Monk zelf. Niet toevallig was de ontwikkeling van de bebop dan ook het werk van sidemen, niet van frontmen: niet van Benny Goodman, maar van zijn gitarist Charlie Christian; niet van Duke Ellington, maar van zijn bassist Jimmy Blanton; niet van Cab Calloway, maar van zijn trompettist Dizzy Gillespie; en niet van Coleman Hawkins, maar van zijn pianist Thelonious Monk.

Van alle beboppers stond in die periode vooral Monk in de schaduw van de jazzgoden van het moment. Hij werd vaak bestempeld als technisch gebrekkig, of simpelweg als een vreemde vogel. Daarom was hij vaak persona non grata bij vele bands. Monks bizarre uiterlijk en gewoontes zaten daar zeker voor iets tussen, maar het was toch vooral zijn progressieve, letterlijk en figuurlijk ongehoorde pianospel dat daartoe leidde. Die unieke Monk-sound is voor het eerst echt duidelijk te horen op Evidence, Criss Cross en Carolina Moon, de albums die de pianist tussen 1947 en 1952 maakte voor het Blue Note label.

 

Muzikale schizofrenie

Wat is die unieke klank dan van de muziek van Thelonious Monk? De algemene kenmerken van de bop vinden we uiteraard terug in Monks muziek – hij heeft er de bop voor een stuk net mee bepaald. Maar onmiskenbaar Monk zijn een gevarieerde touché, zijn unieke timbre, ritmische verschuivingen en het gebruik van hele-toonstoonladders, waardoor de toonaard op het eerste gehoor vaak zoek is. Op zijn album Brilliant Corners bijvoorbeeld zijn chromatiek, ritmische instabiliteit en dissonante noten schering en inslag. Of denk maar aan iconische nummers als Crepuscule with Nellie en Gallop’s Gallop. Verder had Monk een handelsmerk op onverwachte wendingen of eindes van muzikale lijnen en nummers. Sommige pauzes hield Monk zo lang aan, dat je zou denken dat hij gewoon is weggelopen uit de studio.

Monk creëerde een tegengewicht voor zijn avant-gardistische neigingen, door zijn melodieën vaak simpel en repetitief te houden; bijna als in kinderliedjes. Met onder meer Epistrophy, Misterioso, Blue Monk, Well You Needn’t en Hornin’ In schreef Monk zelfs oorwurmen. Een groot deel van het genie van Monk bestond er net in het eenvoudige aan het complexe te rijmen. Dit dualisme legde hij niet alleen aan de dag in zijn melodieën: stilte speelde hij uit tegen dichte passages; magere en rijke akkoorden wisselen elkaar af, net als droge humor en de sérieux van modern jazz.

 

Gecomponeerde improvisaties

Was Monk eigenzinnig in zijn composities, dan kon hij aanvankelijk vaak nog op minder begrip rekenen als uitvoerder-improvisator. Zijn mindere vaardigheid in het rechterhandspel, in vergelijking met de meeste jazzpianisten, heeft daar zeker iets mee te maken, net als zijn ongewone gebruik van rubato of “vrije tempo”. Maar meer nog werd zijn notenkeuze in vraag gesteld: graag voegde hij ongebruikelijke noten toe aan zijn spel en ook had hij een voorliefde voor “notenclusters”, die vervolgens oplossen waarbij slechts enkele toonhoogtes worden aangehouden.

Eén troef deed alle eventuele vraagtekens bij het pianospel van Monk in het niets verdwijnen: zijn capaciteit om al improviserend een coherente muzikale structuur te creëren, die qua logica en evenwichtige opbouw niet moeten onderdoen voor zijn beste, gecomponeerde nummers. Een aantal briljante voorbeelden hiervan zijn te horen in solopassages op onder meer Misterioso en Bags’ Groove in het bijzonder. Monk interesseerde zich niet voor virtuositeit of flitsende tempo’s; liever dook hij in de diepe texturen van de muziek, vol dissonanten. Daardoor klinken zijn improvisaties veel meer als waren ze gecomponeerd in plaats van ter plekke verzonnen.

 

Professioneel succes en privéperikelen

Zijn leven lang bleef Monk trouw aan zijn eigen(zinnige) stijl. Jarenlang heeft hem dat veroordeeld tot een rol op de achtergrond. Maar in 1956 en 1957 bracht Monk bij het label Riverside drie albums uit, stuk voor meesterwerken: Brilliant CornersThelonious Himself en Monk’s Music. Deze drie albums zetten de pianist eind jaren 1950 eindelijk op de kaart als een van de allerbeste én meest controversiële jazzimprovisators van het moment.

Ook al ging het Monk professioneel eindelijk voor de wind, het waren allesbehalve makkelijke jaren voor hem. Zijn bizarre manieren, een uiting van dieperliggende psychologische problemen, staken steeds duidelijker de kop op. Zo leidde in 1958 zijn lange ijsberen in de lobby van een hotel in Delaware, en zijn weigering om welke vraag dan ook te beantwoorden, tot een verhitte confrontatie met de politie. Het jaar erop was het publiek in de Storyville Club in Boston getuige van een bizar optreden van Monk, na afloop waarvan hij simpelweg op zijn pianostoel bleef zitten, volledig bewegingsloos. Later die nacht werd Monk opgepakt op de luchthaven en voor een week ter observatie in het ziekenhuis gehouden.

In de jaren 1960 werd Monk medisch behandeld voor depressie en werd hij steeds excentrieker. Zelfs zijn vrouw Nellie kon soms dagen na elkaar slechts enkele woorden uit hem loskrijgen.

 

Cover story

Zijn persoonlijke problemen leken niettemin geen invloed uit te oefenen op Monks professionele bezigheden. Integendeel: excentriciteit was nu zelfs goed voor publiciteit. Monk was op het toppunt van zijn succes, dat dermate groot was dat hij kon tekenen bij het platenlabel Columbia in 1962. En twee jaar later sierde hij de cover van Time – een eer die in de geschiedenis van het magazine slechts vier andere jazzartiesten te beurt is gevallen (de anderen zijnde Louis Armstrong, Dave Brubeck, Duke Ellington en meer recent Wynton Marsalis). In deze succesvolle periode was Monk ook voor het eerst te gast in het Paleis voor Schone Kunsten, samen met Charlie Rouse, John Ore en Frankie Dunlop. Het concert van 10 maart 1963 was een succes en Monk was de jaren daarop nog meerdere keren te bewonderen in Brussel.

Rond 1970 ging Monks vaste groep uit elkaar. Vervolgens werkte de pianist een paar jaar samen met Art Blakey, Dizzy Gillespie, Al McKibbon, Sonny Stitt en Kai Winding. De band kreeg al snel de naam “Giants of Jazz”. Monk was op het toppunt van zijn roem.

Kort daarna trok Monk zich onverwacht terug uit de schijnwerpers. Hij trad nog driemaal op in Carnegie Hall, en in zowel 1975 en 1976 stond hij op het podium van het Newport Jazz Festival New York, zijn laatste wapenfeiten als muzikant. Monk trok zich terug in New Jersey en vond de gezochte rust bij barones Pannonica de Koenigswarter, een levenslange vriendin en beschermvrouw van Monk. In haar woning stief Monk in 1982 aan een beroerte, op 65-jarige leeftijd.

 

Een erfenis van formaat

Volle erkenning kreeg Monk pas postuum. Al halverwege de jaren 1980 werd zijn leven geëerd met de film Music in Monk Time. Later verschenen nog de documentaires Thelonious Monk: Straight, No Chaser en A Great Day in Harlem. En intussen zijn meerdere biografieën over hem verschenen. In 1993 werd de erfenis van Monk geëerd met een Grammy Lifetime Achievement Award, en in 2006 met een Pulitzer Prize.

Tegenwoordig is Thelonious Monk dan ook overal bekend, is het niet voor zijn muziek, dan wel voor zijn eigenaardige naam, typische geitensik of opvallend hoofddeksel. Maar onder zijn excentrieke uiterlijk en gedrag school een rasechte muzikant, bijna uitsluitend bezig met zijn vak. Monks lange carrière, waarin hij met alle groten van de jazz heeft gespeeld en opnames gemaakt, valt onder te verdelen in drie periodes: zijn periode bij Blue Note in de jaren 1940, zijn werk uit de jaren 1950 en een minder uitgebreide productie die hij schreef na 1960 en opnam voor Columbia. Ook al beleefde de pianist zijn grootste succes in de latere fase van zijn carrière, toch zijn de meeste critici het erover eens dat Monks werk uit zijn eerste twee periodes de grootste impact heeft nagelaten. Op kerstavond 1954 gaf Monk in een memorabele sessie met de Miles Davis All Stars misschien wel zijn beste solo ooit, vereeuwigd op het album Bag’s Groove. Vanuit zuiver pianistiek standpunt worden Evidence, Misterioso en vooral Criss Cross beschouwd als Monks meest indrukwekkende prestaties. De drie albums zijn verschillend van elkaar, maar toch is de hand van Monk in de nummers van de albums erg herkenbaar, in de typisch energieke en hoekige melodieën.

Het is precies met die innovatieve muziek dat Monk een onuitwisbare stempel op de muziekgeschiedenis heeft gedrukt. De ware erfenis van Monk schuilt dan ook in zijn repertoire. Niet met zijn kwaliteiten als uitvoerend muzikant, maar met die als componist heeft hij zichzelf onsterfelijk gemaakt. Monk heeft “slechts” een 70-tal composities geschreven – eerder weinig in vergelijking met vele andere jazzartiesten – maar vele tientallen daarvan zijn intussen uitgegroeid tot standards in de jazz, zoals Round Midnight, Evidence, Blue Monk, Crepuscule With Nellie, Straight, No Chaser, Misterioso, Ruby, My Dear, Epistrophy, In Walked Bud en Well, You Needn’t”. Talloze jazzmuzikanten na Monk hebben zijn melodieën geherinterpreteerd en gebruikt voor hun eigen improvisaties. Maar slechts weinigen slagen erin de ware geest van Monk, met zijn excentrieke, ietwat introverte maar tegelijk nauwgezette gedachtegangen, op te roepen.