13

In de imaginaire landschappen van Antoine Watteau zijn vaak mensen (voornamelijk hovelingen) te zien die elkaar net iets ingefluisterd hebben of die op het punt staan elkaar iets in te fluisteren. Lichamen die zich naar elkaar toewenden of zich van elkaar afwenden. Vaak ook mensen die op de rug te zien zijn. Wat wij, als bijkomende toeschouwer, zien is vooral het spel van de lichamen en van de blikken, al die lijnen die elkaar op de schilderijen kruisen: iemand kijkt naar iemand die naar ons kijkt, terwijl die persoon nog door iemand anders wordt bekeken. Lichamen, bevroren in een pose die net die ene millimeter te ver doorhelt, net die ene millimeter te dicht bij of te ver van dat andere lichaam. En wat we horen - er zijn zoveel muziekinstrumenten - is stilte, bevroren muziek.

BOZAR vroeg aan Dirk Braeckman een vorm te vinden voor de werken die niet naar de tentoonstelling konden worden gehaald. Niet omdat Braeckman ‘de fotograaf van de leegte’ zou zijn, maar omdat hij bij uitstek ‘leegte’ (herinnering, verlies aan herinnering, gemis, verlangen) vorm geeft in elke foto die hij maakt. Vrijwel nooit laat Braeckman in een foto zien wat er is. En wij, altijd koortsachtig op zoek naar betekenis, kunnen niet anders dan die foto’s op te vullen met ons eigen verlangen, ons eigen gemis. Alsof de afstand tussen de lichamen plots hard wordt, materie wordt. Elke foto van Braeckman laat ons horen en zien wat er zich tussen de zich naar elkaar neigende lichamen van Watteau afspeelt. Het gefluister. De muziek. De ‘negatieve ruimte’. De stilte. Ons niet te stelpen verlangen om zonder ophouden die afstand te overbruggen en de stilte op te vullen.

Peter Verhelst