Een rockgroep stoomt zich klaar voor Het speelfeest van de Nederlandse Dagen (8 juni ’68).
RADAR

Weg van mei

Niet herdenken of gedenken moeten we met mei ’68, aldus Geert Buelens, maar de les in onze oren knopen en er naar handelen. Wat er op het spel staat is immers niet de geschiedenis maar de toekomst.

Als mei ’68 iéts was, dan was het de apotheose van protestbewegingen die al ruim een decennium een stem probeerden te geven aan wie in de samenleving niet of nauwelijks meetelde. Zo bekeken, begon mei ’68 niet op de Parijse voorstadscampus Nanterre, in de gebouwen van Columbia University in New York of op de kasseien van Leuven, maar in de Verenigde Staten, halverwege de jaren vijftig. Het was daar dat Rosa Parks weigerde achterin de streng gesegregeerde bus te gaan zitten; het was daar dat de ouders van Linda Brown eisten dat hun dochter naar de school van hun keuze zou kunnen gaan. En het was van daaruit dat deze vormen van protest uitgedragen werden door de Civil Rights Movement, de burgerrechtenbeweging waarvan Martin Luther King het symbool en icoon zou worden. Deze zwarte activisten vroegen gelijke rechten, maar hun vaak sterk mediagenieke activiteiten ontwikkelden ook een model voor de burgerbewegingen die in de jaren zestig half de wereld op zijn kop zouden zetten. Centrale elementen: burgerlijke ongehoorzaamheid, samenzang en onverzettelijkheid. Het lied waarin dit alles samenkwam: 'We Shall Overcome'.

In 1960 gingen zwarte studenten aan de toog van een bar zitten in het gesegregeerde North Carolina. Ze werden niet bediend en bleven uit protest zitten tot sluitingstijd. De volgende dag kwamen ze opnieuw. En de daaropvolgende ook. Het dreef delen van de witte burgerij tot razernij: waarom konden ze niet gewoon de wet respecteren? Maar wat ze eigenlijk bedoelden was: waarom konden ze niet gewoon hun plaats kennen?

Dat zouden de protestbewegingen van de daaropvolgende jaren gemeenschappelijk hebben: ze weigerden hun plaats te kennen. Of beter, ze wisten maar al te goed wat hun plaats was, maar ze weigerden daar nog langer genoegen mee te nemen.

Dat studenten zich massaal zouden roeren stond in zekere zin in de sterren geschreven. De generatie die in de tweede helft van de jaren zestig naar de universiteit trok, was - demografisch gesproken - de grootste uit de geschiedenis. De babyboomers waren met velen en ze hadden eerder in de jaren zestig ervaren hoezeer hun daden media en opvoeders konden prikkelen. Zij waren het immers die in 1964 Beatlemania hadden veroorzaakt door op ongekende schaal singletjes van de Fab Four te kopen. Aan de magnaten van de entertainmentindustrie was het geenszins ontgaan dat zich hier een gigantische groep consumenten had aangeboden. De aanhoudende economische groei in deze jaren en de bijbehorende welvaartstijging hadden deze tieners letterlijk koopkracht geboden  ̶  de mogelijkheid om zelf spullen te kopen. Inspraak hadden ze echter niet. In de meeste landen kregen jongeren pas stemrecht op hun 21ste. Democratisch gesproken hadden de meesten dus niets te zeggen. En vaak wisten ze zich bovendien geconfronteerd met autoriteiten (op school, in de kerk, in het leger en vaak ook in hun eigen familie) die meenden het per definitie beter te weten. En dus trokken de jongeren de straat op, zingend, marcherend, betogend. Af en toe ging er dan een kassei door de lucht, in Parijs werden  ̶  de lokale traditie getrouw  ̶  barricades opgeworpen. De meeste acties verliepen aanvankelijk echter vreedzaam. Vrede was een groot goed voor deze generatie. Ze zag hoe getraumatiseerd hun ouders en grootouders waren door de beide Wereldoorlogen; ze zagen hoe hun oudere broers en zussen actief waren geweest in de anti-atoombeweging van de late jaren vijftig/vroege jaren zestig of hoe ze geraakt waren door de oorlog om Algerije; en in de Verenigde Staten stond met de Vietnamoorlog letterlijk hun leven op het spel. Redenen genoeg om in verzet te komen. En voor een ander deel van hun generatie  ̶  de hippies  ̶  redenen genoeg om zich uit die agressieve maatschappij terug te trekken: turn on, tune in & drop out

In 1967 zouden deze hippies voor de Summer of Love zorgen; een merkwaardige naam voor een zomer waarin de Zesdaagse Oorlog (tussen Israël en Egypte, Jordanië en Syrië) de kiem legde van een conflict dat tot vandaag de wereld verdeelt en waarin in niet minder dan 159 Amerikaanse steden zwarte getto's in vlammen opgingen. Het zegt iets over de beperkte blik van deze studentengeneratie: vreedzaam zwart protest en de zwarte cultuur (Otis Redding, Jimi Hendrix, Aretha Franklin) inspireerden hen, maar van diepgevoelde solidariteit, laat staan gedeelde actie was er slechts zelden sprake.

West-Europa kende zijn eigen getto's: wijken waar Algerijnse vluchtelingen of Griekse, Turkse of Marokkaanse 'gastarbeiders' woonden, maar slechts incidenteel gaven de revolterende studenten er blijk van te beseffen dat zich hier een nieuwe grote groep mensen aandiende die in de maatschappij als tweederangs werd behandeld.

En ook in eigen rangen hadden ze de zaak lang niet altijd op orde. Sommige groupuscules waren  ̶   alle leuzen over vrede ten spijt  ̶  uit op geweld; het terrorisme van de RAF en de Rode Brigades dat in de jaren zeventig voor veel angst en opschudding zorgde, was ook een loot aan de tak van de 68-contestatie. Systematischer was de minorisering van vrouwen. In de nieuwe studentenpopulatie waren zij, net als arbeiderskinderen, voor het eerst substantieel vertegenwoordigd, maar hun cruciale bijdrage aan studenten- en tegencultuur werd zelden erkend. Woordvoerders waren vrijwel altijd mannen (uitzondering: de Joegoslavische Dragana Stavije; niet toevallig iemand uit het communistische deel van Europa waar de emancipatie van vrouwen veel verder gevorderd was), de veelal op confrontatie en transgressie gerichte stijl van actievoeren was uitgesproken masculien.

Drie etalagepoppen met vijgenblad stellen de veroordeling van Hugo Claus aan de kaak. Aanklacht: openbare zedenschennis. Het verdict: 4 maanden gevangenisstraf en een geldboete van 10.000 frank. Het trio bleef na een happening onthoofd achter.
Drie etalagepoppen met vijgenblad stellen de veroordeling van Hugo Claus aan de kaak. Aanklacht: openbare zedenschennis. Het verdict: 4 maanden gevangenisstraf en een geldboete van 10.000 frank. Het trio bleef na een happening onthoofd achter.

Hoewel het studentenprotest altijd een lokale aanleiding kende (de beperking van de vrijheid van meningsuiting in Berkeley, de arrogantie van de Belgische bisschoppen in Leuven, de overbevolkte campussen in Parijs...), het generatiegevoel dat deze jongeren ook al tijdens Beatlemania hadden gevoeld deed hen snel beseffen dat ze eigenlijk een internationale beweging vormden. Dat wilden ze ook heel graag; 'We Shall Overcome' werd steeds vaker vervangen door de socialistische 'Internationale' en de slogan 'Rome… Berlijn… Madrid… Warschau… Parijs’ plaatste de Franse meirevolte in een internationaal perspectief.

De opsomming van deze steden verbaast misschien. Waar is Praag, in die maanden het dramatische centrum van het 'socialisme met een menselijk gelaat'? En wat heeft de militante Berlijnse steunbetuiging aan het stalinistische Noord-Vietnam te maken met de Poolse studenten die het deksel op de neus kregen toen ze enige vorm van liberalisering nastreefden? Romanschrijver Carlos Fuentes, Mexicaans ambassadeur in Frankrijk, raakte tijdens gesprekken met jongeren in Parijs, Londen, Milaan, Bari, Rome en Essex niettemin onder de indruk van de wereldwijsheid van deze generatie. Toen de Joodse-Duits-Franse Parijse studentenleider Daniel Cohn-Bendit uit Frankrijk werd verbannen, gingen zijn medestanders overal "Wij zijn allen Duitse Joden" scanderen - volgens Cohn-Bendit laatst in The New York Review of Books de geboorte van het multiculturalisme.

Of dat klopt is minder belangrijk dan het actuele statement dat Cohn-Bendit daarmee probeerde te maken. In het huidige politieke klimaat, waarin nationalisten, nativisten en xenofoben de wind in de zeilen lijken te hebben, het internationalisme wordt afgeschilderd als volksvijandig en kosmopolitisme geldt als scheldwoord, is het geen loos statement. Als de erfenis van ‘68 ooit in gevaar was, dan vandaag. Van Boedapest tot Washington herstellen autoritaire leiders een stijl van regeren die velen overwonnen waanden. Dat de afgelopen jaren vooral scholieren, zwarte jongeren en vrouwen zich massaal op straat en sociale media roerden om te protesteren tegen het racisme, het machismo en een regentenklasse die niet in staat blijkt de fysieke veiligheid van deze groepen te waarborgen is veel meer dan een teken aan de wand. 1968 eindigde na verkiezingsoverwinningen voor De Gaulle en Nixon met een bestuurlijke restauratie. De strijd voor vrede en rechten en respect voor minderheden ging echter verder en boekte ook succes, af en toe. In de tijd van Orban en Trump moet dus misschien niet mei ‘68 herdacht worden, maar de volgehouden politieke inzet van wie de daaropvolgende jaren het vuur brandende hield. En bovenal moet er een inclusieve toekomstvisie geformuleerd worden die recht doet aan de uitdagingen en troeven van onze superdiverse samenleving en een reddingsplan formuleert voor onze ecologisch bedreigde wereld. Optochten, slogans en popcultuur kunnen daarbij helpen, maar alleen volgehouden politieke actie en organisatie kan ons redden.

 

Geert Buelens
Geert Buelens
is dichter en hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht. Hij is de auteur van De jaren zestig. Een cultuurgeschiedenis (Ambo Anthos, 2018) en zal op 28 mei in BOZAR de studiedag 'Oproer in de Nederlandse letteren' openen en op 30 mei in gesprek gaan met Tariq Ali.

Zie ook