© Balazs Borocz
RADAR

Nieuw bloed in Luik

In september 2019 wordt Gergely Madaras de nieuwe muziekdirecteur van het Orchestre Philharmonique Royal de Liège (OPRL) en volgt daarmee Christian Arming op. Op 1 maart leidt hij ‘zijn’ toekomstige orkest in BOZAR. De jonge Hongaarse dirigent vertelt over zijn cultureel erfgoed, zijn taak als muziekdirecteur en over zijn artistieke visie.


Wanneer heb je besloten dat je dirigent wou worden?
Ik moet een jaar of 11 geweest zijn. Ik woonde nog in Hongarije. Ik herinner me dat ik een repetitie had bijgewoond van het Budapest Festival Orchestra. Ik was diep onder de indruk van de dirigent, een man op gevorderde leeftijd, niemand minder dan sir Georg Solti – het moet een van zijn laatste concerten in Hongarije geweest zijn. Op dat moment is de droom om dirigent te worden ontkiemd.

Hoe zagen de culturele wereld en de muziekwereld uit je kindertijd eruit?
Ik ben opgegroeid in een familie van muziekliefhebbers. Mijn ouders namen me geregeld mee naar concerten. Ik ben ondergedompeld in de traditionele Hongaarse muziek, die in die periode herontdekt werd. Van de jaren 1950 tot 1980 was de muziek sterk beïnvloed door de Sovjet-Unie, maar op het einde van de jaren 1980 kwam er een hernieuwde interesse voor de Hongaarse cultuur en folklore. Toen in 1991 het oude regime gevallen was, trokken muzikanten uit Boedapest naar Transsylvanië – net zoals Kodály honderd jaar eerder. Ze ontdekten er dorpen waar de Hongaarse cultuur bewaard was gebleven en de traditionele liederen en dansen nog volop in ere werden gehouden. Daaruit is dan in Boedapest het Festival voor traditionele muziek ontstaan, en de scholen waar traditionele muziek en dans werden onderwezen beleefden een nieuwe bloeiperiode.

© Balazs Borocz
© Balazs Borocz

Hoe zag je muziekopleiding eruit?
Toen ik zes was, hebben mijn ouders me ingeschreven in een school voor traditionele muziek en dans. Ik heb er contrabas en folkviool leren spelen en kreeg er notenleer. Later heb ik ook dwarsfluit leren spelen. Ik heb ongeveer tien jaar lang een muziekopleiding gehad die zowel aandacht had voor volksmuziek als voor klassieke muziek. Daarna heb ik me in klassieke muziek gespecialiseerd: ik heb dwarsfluit gestudeerd in Boedapest en orkestleiding in Wenen. Maar ik vergeet mijn traditionele muzikale roots niet, die blijven een bron van inspiratie.

Daarna werd je dirigent bij verschillende internationale orkesten. Je werkte in Manchester, bij de English National Opera in Londen, in 2013 werd je muzikaal directeur van het Orchestre de Dijon Bourgogne en je bent ook hoofddirigent van het Savaria Symphony Orchestra (Hongarije). Hebben die ervaringen je veranderd?
Als je in verschillende landen werkt, leer je verschillende culturen kennen. In Engeland stond ik versteld van hoe snel ze daar werken en van het aanpassingsvermogen van de orkestleden; omdat er maar weinig repetities zijn, moet je efficiënt zijn. In de Franstalige landen worden er meer repetities voorzien en dan kun je dieper op de werken ingaan. Het is me ook opgevallen dat die orkesten veel belang hechten aan de aandacht van en de ontvangst door het publiek, en dat is belangrijk.

© Alain Vande Craen
© Alain Vande Craen

Waar kijk je naar uit voor je toekomstige samenwerking met het OPRL?
Toen ik in 2017 voor het eerst met het OPRL samenwerkte, was ik onder de indruk van de heel bijzondere chemie in dat orkest. Het heeft een eigen geschiedenis en klankkleur. Bovendien voel ik dat de muzikanten heel nieuwsgierig zijn en zin hebben om zich echt in muziekstukken te verdiepen. Dat spreekt me heel erg aan. Ik heb hard gewerkt om deze functie te krijgen, want ik wilde een band opbouwen met die muzikanten.

Het OPRL vindt het belangrijk om in de 21ste eeuw symfonische muziek te brengen. Wat vindt je van die visie?
Klassieke muziek is een abstracte kunstvorm: je ziet ze niet en ze is ook niet tastbaar. Alles berust op verbeelding en aanvoelen. Als we stukken spelen die honderd jaar geleden gecomponeerd zijn, brengen die stukken nog dezelfde emoties over als toen. Ik merk vaak dat orkesten hun programma aanpassen om het toegankelijker te maken. Dat is geen foute keuze, maar het symfonische repertoire is op zich ook erg toegankelijk. Waar het om gaat is een dialoog op gang te brengen, tussen de componist en het orkest, en tussen de muzikanten en het publiek. Om het publiek te kunnen raken moet een orkest een afspiegeling zijn van de wereld waarin het optreedt.

Moussorgski, Tableaux d'une exposition (Gergely Madaras, OPRL, 2017) (extraits)

Wat houdt de rol van muziekdirecteur precies in?
De muziekdirecteur geeft aan welk pad het orkest moet volgen en stuurt de programmering. Hij bepaalt het karakter, de klankkleur van het orkest. Het is een ingewikkelde taak, met heel veel facetten. Volgens mij moet een muziekdirecteur vooral weten wanneer hij moet ingrijpen en wanneer hij het orkest zijn gang moet laten gaan.

De leiding van een bestaand orkest overnemen is een hele uitdaging!
Ik vergelijk de muziekdirecteur vaak met een ontdekkingsreiziger die op een bewoond continent stoot. Hij werkt een tijdlang met een orkest en trekt dan weer verder. De tijd die je daar doorbrengt, moet nuttig ingevuld zijn. Het OPRL is een orkest met een rijke geschiedenis en veel traditie dat al een eigen klankkleur en accenten heeft. Het is zeker niet mijn bedoeling die te veranderen, maar ik wil bepaalde elementen accentueren om het orkest bewust te maken van zichzelf en het te laten evolueren.

Wat wil je met het orkest bereiken?
Ik wil de band van het orkest met het heden versterken door concerten te brengen die aansluiten op maatschappelijke thema’s en door een interactieve programmering. Ik wil ook graag experimenteren met kruisbestuivingen tussen muziek en andere kunstvormen zoals theater, film en dans. En natuurlijk wil ik het orkest ook mijn eigen muzikale bagage aanreiken, namelijk de muziek uit Oost-Europa, het Franse repertoire en de Duitse symfonische muziek.

Het concert op 1 maart zal ons een voorsmaakje geven van die samenwerking. Kan je al iets verklappen?
Het concertprogramma illustreert de band tussen twee componisten uit heel verschillende periodes. Er is een kloof van honderd jaar tussen Daphnis et Chloé van Ravel en Fin de nuit van Philippe Boesmans (speciaal voor dit concert gecomponeerd). En toch vertonen de twee werken heel wat gelijkenissen. Ze getuigen allebei van een enorme creativiteit: in beide stukken vindt de muziek zichzelf voortdurend opnieuw uit. Ondanks zijn vele contrastrijke elementen is Fin de nuit een erg toegankelijke hedendaagse compositie – ook al is de muziek heel moeilijk te spelen! Daphnis et Chloé getuigt van Ravels fenomenale talent om kleurrijke tableaus te schetsen. Na het concert blijven er geen melodieën hangen die je blijft neuriën, maar je houdt er wel een gevoel aan over, je proeft de sfeer nog: het is als een prachtig schilderij dat nazindert.

Zie ook