RADAR

Proza voor Van Orley: Ubah Cristina Ali Farah

Schrijvers over schilderijen. 5 auteurs kozen op vraag van BOZAR een werk uit de tentoonstelling Bernard van Orley. Brussel en de renaissance en glijden in de huid van één van de personages. Ubah Cristina Ali Farah koos voor Ecce Homo.

'Bernard van Orley. Brussels and the Renaissance' - Abuh Cristina Ali Farah

Ecce Homo

Ruim baan, achtbare heren, genoeg gescholden: is het zien van deze arme stakker die gegeseld werd tot hij erbij neerzeeg, voor jullie dan niet genoeg? Hij heeft zelfs niet langer de kracht om zijn ogen open te houden.

Hier komt de beul. Welaan, toon de omstanders zijn borstkas! En jullie, aanschouw zijn wonden, de in zijn hoofd gedreven doornen. Deins achteruit als je niet wilt dat jullie kostbare brokaten van bloed doordrenkt raken. Stilte! Luister naar de landvoogd, stelletje blinden, ik, simpele soldaat, heb jullie niets te melden, ik ben hier enkel om de orde te handhaven. Hij zal jullie voor zich innemen met zijn grijze baard, hij zal jullie vleien met de hooggestemde frasen van een doorkneed causeur.

Schaar jullie om hem heen, juich hem toe, de landvoogd staat nederig tot jullie dienst: is hij tenslotte niet bij de gratie van het volk verkozen?

Jullie, zijn nobele medeburgers, zijn de ware gezagdragers.

Spits die oude dove oren van jullie, heren, zie de mens, de leider van de opstandelingen, de verrader, de man die naar zijn land is gekomen om het te schande te maken, om met zijn landgenoten de spot te drijven.

Zie de mens: hij levert hem aan jullie over, hij stalt zijn naakte vlees voor jullie uit. Kijk hoe die onnozele hals is gestraft, vinden jullie dat nog niet genoeg?

Welnu, zijn lot ligt in jullie handen. Maar wees niet genadig als jullie naar vrede smachten, in jullie midden houden zich nog verachtelijke ratten schuil, scheurmakers die het op jullie geluk hebben gemunt, onruststokers die het welzijn van het volk bedreigen.

De landvoogd van zijn kant streeft het algemeen belang na. Hij wil jullie alleen waarschuwen, jullie beschermen tegen een meedogenloze kliek van gewiekste en gewetenloze zakenlieden die bereid zijn hun ziel te verkopen voor het slijk der aarde.

En maak jezelf niet wijs dat deze man – omdat jullie hem hier gegeseld en naakt zien – onschuldig is. Hebben jullie hem dan niet allemaal in de straten horen raaskallen, de landvoogd en zijn notabelen beschuldigen van dictatorschap, van vervolgingswaanzin? Het zal hem niet meer baten krampachtig met zijn armen te zwaaien, zijn medeburgers openlijk te beledigen en hen addergebroed en witgepleisterde graven te noemen.

Maar – daar hamert de landvoogd nogmaals op – de beslissing ligt in jullie handen.

Ach, mocht ik, simpele soldaat, zo’n doortrapte praatjesmaker zijn, dan zou ik niet de moeite doen om die man te redden, maar er alleen naar streven mijn hoofd te omwikkelen met een kostbare tulband, me in damast te kleden, mijn schouders met bontwerk te verwarmen en voor de gelegenheid een halssnoer vol diamanten om te hangen. En in plaats daarvan moet ik hier staan schilderen, het gewicht van deze helm en dit knellende borstkuras torsen, terwijl dubbelzinnige toespraken als kleine dosissen arseen in jullie bloed, in jullie vlees binnensluipen. En toch hebben jullie niet eens in de gaten dat je ze inzuigt en maken jullie jezelf wijs dat je vrij bent, vrij om de knoop door te hakken. Kijk naar de beul. Hij houdt de roede nog tussen zijn tanden en een bijna onmerkbare glimp van opluchting ontglipt aan de blik van de landvoogd: nu zal hij zijn handen gaan wassen terwijl het volk, zoals voorzien, schreeuwt dat de man ter dood moet worden gebracht.

 

Vertaald uit het Italiaans door Frans Denissen

Ecce Homo

Facciano largo i lor Signori, la smettano di imprecare: non basta voi la vista di questo povero derelitto, frustato allo sfinimento? Neppure la forza di aprire gli occhi gli è rimasta.

Ecco l’aguzzino: Suvvia, mostra loro il torace; Osservate bene le piaghe, le spine conficcate nel capo. Allontanatevi se non volete che i vostri preziosi broccati si intridano di sangue. Silenzio! Ascoltate il governatore, razza di ciechi, non ho niente da annunciare io, umile soldato, sono qui soltanto per mantenere l’ordine. Vi imbonirà con la sua vecchia barba, vi blandirà con alte grida da retore consumato.

Raccoglietevi intorno, acclamatelo, il governatore è al vostro umile servizio: non è forse stato eletto a clamor di popolo?

Siete voi, suoi nobili concittadini, i veri detentori del potere.

Aguzzate quelle vecchie orecchie ottuse Signori, ecco a voi l’uomo, il capo dei sovversivi, il traditore, colui che è venuto nella sua terra per vituperarla, per prendersi gioco dei suoi compatrioti.

Ecco l’uomo: ve lo consegna, vi espone la sua carne nuda. Guardate come è stato punito lo stolto, pensate non sia ancora abbastanza?

Ebbene, spetta a voi la decisione. Ma non siate clementi se anelate alla pace, tra voi si annidano ancora spregevoli roditori, dissidenti che attentano alla vostra felicità, sovversivi che minacciano il benessere del popolo.

Il governatore, lui, sostiene l’interesse di tutti. Vuole solo mettervi in guardia, proteggervi da una cricca rabbiosa di affaristi senza scrupoli, pronti a vendersi l’anima per il profitto.

E non illudetevi che quest’uomo - perché lo vedete flagellato e ignudo - sia innocente. Non l’avete forse udito tutti farneticare per le vie, accusare il governatore e i suoi notabili di follia dittatoriale, di delirio persecutorio? A nulla più gli servirà agitare spasmodico le braccia, insultare apertamente i suoi concittadini, chiamandoli covo di vipere e sepolcri imbiancati.

Ma –vi ribadisce il governatore - è a voi che spetta la decisione.

Ah, fossi io, umile soldato, un tale abile retore, non mi importerebbe di salvare l’uomo ma ambirei solo a cingermi il capo con un ricco turbante, vestirmi di damasco, scaldarmi le spalle con lembi di pelliccia e indossare, per l’occasione, un ricco monile carico di diamanti. E invece mi tocca stare qui a fare da scudo, sopportare il peso di quest’elmo e di questo pettorale opprimente, mentre discorsi ambigui si insinuano come piccole dosi di arsenico nel vostro sangue, nella vostra carne. Eppure non vi accorgete di assorbirli e vi illudete ingenuamente di essere liberi, liberi di prendere la decisione. Ecco l’aguzzino; tiene ancora la verga tra i denti, un guizzo quasi impercettibile sfugge dallo sguardo del governatore: ora andrà a lavarsi le mani mentre il popolo grida, come previsto, che l’uomo sia mandato a morte.


Ubah Cristina Ali Farah (1973) is een Somalisch-Italiaanse schrijfster die in Brussel woont. Haar werk werd bekroond met de Lingua Madre National Literary Prize en de Vittorini Prize. Haar roman Madre piccola (2007) verscheen in het Nederlands (Barni en Domenica, 2008) en in het Engels. In het kader van Matera, Europese culturele hoofdstad 2019, schrijft ze momenteel aan een libretto geïnspireerd op verhalen uit de stad.

Zie ook