© Yannick Sas
RADAR

"De uitzonderingen bepalen de norm"

Interview met architect Kiki Verbeeck

Hoe maak je van een stapel prenten een spannende tentoonstelling? BOZAR stelde de vraag aan Kiki Verbeeck, die samen met Yves Malisse het architectenbureau URA leidt, de scenografie ontwierp voor de expo Prenten in de eeuw van Bruegel. “Onze taak in zo’n scenografie is om de bezoeker te sturen, maar op een manier zodat het aanvoelt alsof je het allemaal zelf ontdekt.”

© URA
© URA

Is het de eerste keer dat jullie een dergelijke tentoonstelling in elkaar steken?

Voor ons was het een nieuw gegeven. We hebben wel al een paar scenografieën gemaakt voor eigen tentoonstellingen in de architectuurwereld - wat toch echt wel anders is.  Maar over een specifiek item in een echt kunstenhuis? Dat was de eerste keer.

Hoe begin je aan zo’n opdracht?

De hoeveelheid werken die we een plaats moesten geven was immens. Toen we het begonnen uittekenen werd echt duidelijk hoeveel precies. De werken worden ook allemaal op een gelijksoortige manier getoond. De kaders zijn allemaal dezelfde, er zijn over het algemeen genomen maar drie verschillende formaten - and that’s it.

© Koninklijke Bibliotheek van België
© Koninklijke Bibliotheek van België

En dan zijn er een paar uitzonderingen. En dus hebben we ons meteen daarop gestort en gezegd: laten we die uitzonderingen dan ook echt uitzonderlijk maken en dat vertalen naar een specifiek meubilair, dat ook echt als sterk contrast kan werken tegenover het hele statige van al die kaders die op een klassieke manier ophangen.

© Yannick Sas
© Yannick Sas

Het beginpunt was eigenlijk een werk van 9 meter, de Stamboom van Keizer Karel V. Dat verdiende een eigen kast, maar we wilden niet een klassieke glazen vitrine waarin het gewoon uitgestald ligt. Toen we die genealogie gingen bekijken in het Prentenkabinet, lag het horizontaal op een tafel. De conservatrice nam het ene uiteinde op met twee vingers en hield het omhoog om het te tonen. Ik heb daar onmiddellijk een foto van genomen. Het was de spontane instinctieve reactie van iemand die een object wou tonen en ik wist meteen: zo moet het. Dus hebben we een hele lange vitrine gebouwd die diezelfde boog volgt. Daar draait het bij ons om: de architecturale vertaling van de natuurlijke manier waarop we dingen willen gebruiken.

Die boog van die ene vitrine hebben jullie dan als leidmotief gebruikt voor alle kasten en meubels in de expo.

Inderdaad. Die curve, die vloeiende lijn, dat ronde vonden we meteen een leuk element. De frivoliteit en het luchtige daarvan tegenover het beladen klassieke en de overvloed aan kaders: dat spanningsveld vinden we belangrijk. In de meubels worden de werken heel licht getoond, bijna als een blaadje papier. We hebben staalplaten laten walsen in de juiste curve; een hele technische karwei was dat.

© Yannick Sas
© Yannick Sas

Hetzelfde deden we met de boeken in de tentoonstelling. Die worden meestal op een lessenaartje getoond, maar wij wilden het vloeiende leidmotief laten terugkomen. We hebben de curves daar ook zo geplaatst dat je er niet overheen kan kijken. Als je ervoor staat word je als het ware opgevangen door het meubel en afgesloten van de gigantische hoeveelheid van al die andere werken aan de muren. Zoveel werken die constant op je afkomen dat het bijna hypnotisch kan worden. De meubels leiden je af en trekken je binnen in een intieme beleving, één op één met het boek.

De tentoonstelling oogt heel dramatisch, met donkere kleuren waarin de prenten worden uitgelicht. Hoe hebben jullie dat palet gekozen?

De meubels zijn bekleed met rood vilt. Rood omdat het een typische kleur is voor de tijd van Bruegel. Toen we voor het eerst de ruimtes gingen bezoeken bij BOZAR viel ons het gigantische rode zitmeubel op dat bovenaan de trap in de Hortahal staat. Met een knipoog naar dat oude zitmeubel zijn we onderzoek beginnen doen. Dat rode moest er echt uitspringen. Het is bijna ook zoals een juweel wordt gepresenteerd, op een rood kussentje, om te tonen hoe ongelooflijk mooi en kostbaar deze werken zijn, als juweeltjes.

© Yannick Sas
© Yannick Sas

Daarnaast zijn we op de computer aan de slag gegaan met enkele schilderijen van Bruegel. We wisten dat we met het rood gingen werken dus we hebben ons geconcentreerd op de rode en bruine tinten in zijn werk. We wilden ook inspelen op de dramatiek. De belichting was sowieso bepaald door de conservatoren omwille van de fragiliteit van de werken: 50 lux max. Dat is uiteraard vrij intiem maar het helpt ook om je te focussen op de werken.

© Yannick Sas
© Yannick Sas

We kozen dus voor donkere kleuren om die dramatiek te benadrukken. We kozen voor een gradatie in kleur die je als bezoeker pas tijdens de wandeling ervaart. Door het zwakke licht merken de bezoekers het meestal zelfs niet. Anders zouden ze misschien schrikken: de eerste ruimte is bijna babyroze! De gradatie doorheen het parcours gaat eigenlijk van dat roze naar bruin.

Waarom hebben jullie ‘ja’ gezegd op deze tentoonstelling?

Deze opdracht aanvaarden past in het instinct van ons werk.  Ook in onze architectuurpraktijk focussen we nooit voor een niche, en we gaan ook breed van schaal: van meubelontwerp tot stedenbouw. Sowieso ligt het in onze lijn om alles wat niet tot de klassieke projecten behoort te aanvaarden. Het houdt je denkproces fris. En dat denkproces, en het designproces dat eruit voortvloeit, is voor ons het meest essentiële onderdeel van het eindresultaat.

Curator Joris Van Grieken on ‘The Art of Engraving’ (1591)| Interview

En wat hebben jullie ontdekt over het ensceneren van een tentoonstelling? Hebben jullie je werkwijze moeten aanpassen?

We hebben ontdekt dat we onze ontwerpstrategie, die we voor al ons ander werk gebruiken, ook perfect konden toepassen op deze opdracht.  Wat we altijd doen in onze architectuurpraktijk bij het ensceneren van ruimtes is echt kijken naar het gebruik: hoe gaan mensen deze ruimte benutten? Hoe wordt er hier gewandeld? Welke functies zijn nodig? Een tentoonstelling is een niet permanent gegeven – bij architectuur gaat het meestal om dingen die lang moeten blijven staan. Maar de insteek en de ontwerpproductie zijn eigenlijk dezelfde. Bewegingen, flux, gebruik, sfeer creëren: dat is altijd het hoofddoel. De methodiek is voor ons eigenlijk hetzelfde.

Kau Gymnasium © Filip Dujardin
Kau Gymnasium © Filip Dujardin

We merken ook doorheen de jaren: hoe meer parameters er zijn, hoe meer beperkingen we opgelegd krijgen, hoe nuttiger voor ons. Dat dwingt je net tot confrontaties, en dus tot uitspraken. En dat is zeer dankbaar. Hier was de belichting heel specifiek, die genealogie was ongelooflijk determinerend, maar net die hebben de sfeer en het meubilair bepaalt. De grootste uitzonderingen zijn eigenlijk het leidmotief van de hele enscenering gebleken. Zo is het voor ons ook in de architectuur: je moet inzoomen op de uitzonderingen, want die zorgen voor een soort spanning. Een spanning die een dialectische beeldtaal oplevert die dan weer al de rest kleurt, al het andere, ‘normale’ wat er sowieso bijkomt.

Smaakt het naar meer?

Absoluut. Maar het hangt natuurlijk wel af van waar. Want het is belangrijk om te zeggen hoe fantastisch het is dat een huis als BOZAR ook gedreven is om specifiek in te zetten op architecten of kunstenaars die meedenken aan de scenografie. Het is net hetzelfde als met een bouwheer, je moet die wel meekrijgen!

De tentoonstelling Prenten in de eeuw van Bruegel loopt nog tot 23 juni bij BOZAR. Volgend jaar blikken de architecten van URA terug op hun projecten en carrière met een eigen tentoonstelling.

Zie ook