New York City, 1978 © Alex Razbash
RADAR

Chris Kraus

Poëzie voor Keith Haring

We vroegen aan New Yorker Chris Kraus (I Love Dick) om vijf dichters de opdracht te geven een tekst te schrijven als reactie op kunstenaar Keith Haring en zijn tentoonstelling bij BOZAR. Het resultaat kan je lezen in de gratis bezoekersgids van de expo. Of gewoon hier...


Chris Kraus
Onmogelijke schittering - nawoord

Toen Tom Van de Voorde me uitnodigde om vijf dichters aan het werk te zetten, was ik nieuwsgierig naar welke teksten deze jonge, en voornamelijk internationale, dichters zouden schrijven als respons op deze tentoonstelling. Hoe zouden zij Harings werk zien? Ik woonde in New York toen Haring het merendeel van zijn publieke werk maakte, had er een ondoordachte hekel aan, en heb er sindsdien niet meer bij stilgestaan. Misschien was het tijd om mijn vooroordelen te herzien? 

In haar gedicht “Zonder titel,” herinnert Cecilia Pavón zich dat ze Keith Harings werk voor het eerst zag toen ze dertien was en opgroeide op het Argentijnse platteland. Dat was op een postkaartje, bij een vriend thuis, en ze wist meteen dat het “geen kunst was” – toch geen kunst zoals ze die gewoon was te zien, in kunstboeken over Europees avant-garde modernisme. Ze nam zich voor ernaar te streven een dichter te worden die gedichten schreef die “geen gedichten waren,” zoals ze behendig laat zien in dit gedicht. 

Ruby Brunton, Robert Dewhurst, Faith Wilson en Steven Zultanski werden allemaal geboren in de jaren ’80 en ’90, en hun respons op Keith Harings werk moet dus los gezien worden van de veel te beladen context –  East Village in de jaren ’80. Ik stelde me voor dat zijn werken doorheen de tijd op hen afgolfden, als een een stortvloed aan meteorieten.

Ik herinner me dat ik elke nieuwe Keith Haring krijttekening in het Astor Place metrostation met vrees tegemoet zag. Harings cartooneske en vrolijke persoonlijke lexicon – het schitterende hart, het stralende kind, de dansende stokventjes – voelden aan als het einde en het begin van iets. 

Zijn werk kwam net na de verbazingwekkende golf aan street art, die op het einde van de jaren 1970 in Lower Manhattan was begonnen. Samen met graffiti gaven deze werken elke voetganger een constante hartslag van subliminale boodschappen mee. Overvloedig, volhardend, vormden zij de visuele grondtoon van het straatbeeld. De jonge Jean-Michel Basquiat en zijn vriend Al Diaz spoten strategisch hun op cynische wijze auteursrechterlijk beschermde SAMO graffiti, op muren bij CBGB’s en de onopvallende kleine plekken van Soho’s kunstwereld. SAMOc 4 THE SO CALLED AVANT-GARDE; SAMOc 4 MASS MEDIA MINDWISH.  SAMO stond voor Same Old Shit, en het was, en het voelde, fantastisch om iemand dat te zien zeggen. Jenny Holzers vreemde affiches, haar lange lijsten met non-sequiturs, verschenen met tussenpozes als aanplakbiljetten op lantaarnpalen en reclameborden. Sommige van de meest indrukwekkende street art interventies werden nooit opgepikt door het galleriesysteem. De rode omtrekken van lichamen, bijvoorbeeld. Die werden op het trottoir gespoten en leken zo uit een CSI plaats delict te komen, ze dwongen de kijker om op de plek van een vermist lijk te stappen. Of de tientallen dreigende zwarte silhouetten van mensen, die op gebouwen werden gespoten bij donkere steegjes, tussenruimtes en hoeken.

In deze context leken Harings vrolijke en charmante figuren en symbolen tot dezelfde orde te behoren als het nieuwe Mexicaanse restaurant met blauwe margarita’s: een voorbode van de gentrificatie die snel komaf zou maken met onze goedkope appartementen en onze manier van leven, die we konden bekostigen met halftijdse baantjes hier en daar. Net als de meeste van mijn vrienden besloot ik het te haten. Uiteraard bleek de agressief brutale street art, die zo puur en compromisloos overkwam, net zo makkelijk inlijfbaar. Ken je het gamma lipgloss en nagellak van Urban Decay nog? Eens het geëlimineerd is uit de echte wereld, blijft het groezelige van de stad hangen als een vreselijk cliché. Het leek me dus belangrijk die eerste indrukken te herzien. 

Cecilia Pavón heeft vijf dichtbundels op haar naam en drie verhalenbundels. Ze woont sinds 1992 in Buenos Aires, toen ze er student was. Aangezien iedereen zegt dat Buenos Aires nu precies is zoals New York of Berlijn in 1983, vond ik haar goed geplaatst om in dialoog te gaan met Keith Haring. Eigenlijk is Buenos Aires veel magnifieker dan New York toen was, en dat komt deels door Payons werk en aanwezigheid. Tussen 1999 en 2007, tijdens het isolement van de economische crisis, baatte Pavón samen met Fernanda Laguna een soort alles-aan-99-cent-winkel uit. Zij waren de curators en het pand was een oude apotheek. De naam van de winkel, Belleza y Feliciad, Schoonheid en Geluk, was ook de naam van een zine dat ze uitgaven. Haar gedichten zijn, voor mij, puur geluk, ook al gaan ze niet altijd over geluk of over leuke dingen. Zoals Cesar Aira al opmerkte, haar werk schept een parallelle wereld die zich laat zien “als een droom, net als de realiteit.”

Faith Wilson ontmoette ik voor het eerst in 2017 tijdens een workshop die ik leidde bij Plug In ICA in Winnipeg. Wilson is een Samoa/Palagi kunstenaar en schrijver uit Aotearoa/Nieuw-Zeeland, en ik had haar werk leren kennen door een berucht conflict dat ze had met de beroemde Nieuw-Zeelandse kunstenaar Simon Denny, die in Berlijn woont. Bijna elke beroemde Nieuw-Zeelandse kunstenaar jonger dan veertig is een expat. Als je iets hoort over Nieuw-Zeelandse kunstenaars, dan wil dat zeggen dat ze er waarschijnlijk niet wonen. Toen Wilson werd gevraagd om werk in te dienen voor een tentoonstelling in Artspace in Auckland, waarvoor de kunstenaars geselecteerd zouden worden door Denny, koos ze ervoor om Denny te confronteren. Ze diende een video in waarop ze in een roze kamerjas het hele project en Denny zelf afkraakt. “Hoe is Simon Denny relevant voor nieuwe perspectieven in Aotearoa kunst? En waarom krijgen we hier de grootste WMA gast om dit te cureren? Fuck Simon Denny.” Dat laatste zinnetje werd een Instagramprofiel. Ik vond Wilsons aanval een dapper initiatief – ze was toen jonger, onbekend, en ze woonde nog in Auckland. De ontmoeting tussen haar en Denny kreeg evenwel een mooi einde. Denny selecteerde Wilson, en Wilson gaf toe dat Denny geen monster was en zelfs geen slechte kunstenaar. De twee kregen respect voor elkaars standpunten en verschillen. In Winnipeg schreef Wilson een stortvloed aan gedichten bijeen, waar iedereen van omver viel. Daarna verhuisde ze naar Brits-Columbia. Ik heb haar gevraagd iets te schrijven voor deze publicatie omdat ik nieuwsgierig was naar wat ze allemaal had gedaan, en omdat ik er zeker van was dat ze Keith Harings werk op een eerlijke en directe manier zou benaderen. 

Ruby Brunton, een Nieuw-Zeelandse/Amerikaanse kunstenaar en performer, woont momenteel in Mexico City. Bruntons choreografisch werk, dans en performance staan los van haar literair werk, al ontwikkelen beide projecten zich ook in tandem. Sinds ze twee jaar geleden van New York naar Mexico City is verhuisd, heeft ze haar oude poëtische constructies, die iets hadden van monologen, ontmanteld. Ze is gedichten beginnen schrijven die tegelijk abstracter en specifieker zijn. Net als Buenos Aires, wordt Mexico City vandaag vaak vergeleken met New York op het einde van de 20e eeuw. Brunton kijkt hier naar Keith Harings tekeningen en projecteert zich terug in zijn tijd, maar ze laat zich louter leiden door visuele aanwijzingen uit het werk zelf. Zonder vooroordelen. De ekphrastische transmissie tussen Harings tekeningen en Bruntons beeldenclusters is bijna elektrisch. 

Robert Dewhurst, die eigenlijk vooral bekend is als wetenschapper en criticus, is een van mijn favoriete Amerikaanse dichters. Ik herinner me nog steeds een regel uit een van de gedichten die hij schreef toen hij nog studeerde: “All my relationships are with dead people.” (The Interdependence of Interpretation and Emotion Makes Semiotics an Emotive Field) Hij was toen begonnen met zijn onderzoek voor een biografie over John Wieners, en die regel leek dat project helemaal te vatten. Dewhurst en ik hebben samengewerkt als co-redacteurs van Hedi El Kholti’s Animal Shelter – A Journal of Art, Sex and Literature. Samen met Eileen Myles en Lynne Tillman hebben we bovendien een tweedaags eerbetoon aan het werk van wijlen David Rattray georganiseerd. Ik vind het treffend dat Dewhurst ervoor kiest om dit gelegenheidsgedicht toe te spitsen op het plotse, recente overlijden van de dichter Kevin Killian. Dewhursts benadering van Keith Harings werk voert hem terug naar de dichter Bruce Boone, en de uitvergrote termen waarin hij zich Killian in die tijd herinnert. Dewhurst doorprikt de legende van Keith Harings carrière en houdt een beeld over van de jeugd die Haring en Killian misschien wel hebben gedeeld, als tijdgenoten – Keith Haring die t-shirts verkoopt bij een Grateful Dead concert, St Paul,/ Mei ’77, nog voor je een genie wilde zijn, en was…”

In de New Yorker in 2015, omschreef Kenneth Goldsmith Steven Zultanski als een voorbeeld van wat anderen misschien wel “post-Internet” poëzie noemen. Enkele van Zultanski’s eerdere werken bestaan bijna uitsluitend uit teksten die hij online vond, gegrist en gegrepen, geknipt en geplakt. Mijn eerste ontmoeting met zijn werk was het gedicht Honestly uit 2018, dat een hele bundel vult. Honestly suggereert dat het lange gedicht de meest perfecte vorm zou kunnen zijn voor een subjectieve, kritische biografie. In zijn gedicht onderzoekt Zultanski het leven van een grootoom, Dick Stryker, die deel uitmaakte van het culturele milieu van New York City in de jaren 1960. Stryker schreef muziek voor The Living Theatre en trok op met Frank O’Hara en John Ashbery. Het boek is discursief, breedvoerig, het zoekt de grenzen op van de individuele expressie, van spreken en luisteren. Zultanski lijkt zich door niets te laten afremmen, en ik wilde weten wat hij zou doen met Keith Haring. Zijn ‘Loop voor Keith Haring’ toont dat Harings werk vibreert, tegen alle mogelijke beperkingen in, dat het boosheid, vreugde, angst en verschrikking bevat. Ongehindered door de culturele politiek van die tijd, trekt Zultanski cirkels rond Harings werk en ziet hij hoe Haring de onmogelijke schittering van de wereld ziet.

© Chris Kraus
© Chris Kraus

 

Zie ook

  • Poëzie voor Keith Haring

    Ruby Brunton

    We vroegen aan New Yorker Chris Kraus (I Love Dick) om vijf dichters de opdracht te geven een tekst te schrijven als reactie op kunstenaar Keith Haring en zijn tentoonstelling bij BOZAR. Het resultaat kan je lezen in de gratis bezoekersgids van de expo. Of gewoon hier...

    — gepubliceerd op
  • Poëzie voor Keith Haring

    Robert Dewhurst

    We vroegen aan New Yorker Chris Kraus (I Love Dick) om vijf dichters de opdracht te geven een tekst te schrijven als reactie op kunstenaar Keith Haring en zijn tentoonstelling bij BOZAR. Het resultaat kan je lezen in de gratis bezoekersgids van de expo. Of gewoon hier...

    — gepubliceerd op
  • Poëzie voor Keith Haring

    ​​​​​​​Cecilia Pavón

    We vroegen aan New Yorker Chris Kraus (I Love Dick) om vijf dichters de opdracht te geven een tekst te schrijven als reactie op kunstenaar Keith Haring en zijn tentoonstelling bij BOZAR. Het resultaat kan je lezen in de gratis bezoekersgids van de expo. Of gewoon hier...

    — gepubliceerd op
  • Poëzie voor Keith Haring

    Faith Wilson

    We vroegen aan New Yorker Chris Kraus (I Love Dick) om vijf dichters de opdracht te geven een tekst te schrijven als reactie op kunstenaar Keith Haring en zijn tentoonstelling bij BOZAR. Het resultaat kan je lezen in de gratis bezoekersgids van de expo. Of gewoon hier...

    — gepubliceerd op
  • Poëzie voor Keith Haring

    Steven Zultanski

    We vroegen aan New Yorker Chris Kraus (I Love Dick) om vijf dichters de opdracht te geven een tekst te schrijven als reactie op kunstenaar Keith Haring en zijn tentoonstelling bij BOZAR. Het resultaat kan je lezen in de gratis bezoekersgids van de expo. Of gewoon hier...

    — gepubliceerd op