In alle samenwerkingen die je bij Bozar presenteert, staat ritme centraal. Wat trekt je zo aan in dat specifieke aspect van muziek?
Jlin: “Ritme is er altijd geweest, al van toen ik klein was. Ik groeide op in een gezin waar heel uiteenlopende muziekgenres te horen waren. Mijn moeder hield van allerlei soorten muziek: Bootsy Collins, Luther Vandross, Chaka Khan... En mijn vader was gek op jazz. Dankzij hem luisterde ik naar Miles Davis en Charlie Parker, maar ook naar Tito Puente en Pete Escovedo. In zo'n omgeving leek ritme iets eindeloos, iets onbegrensds. Het raakte me diep. Het kreeg me helemaal in zijn greep en heeft me gevormd tot wie ik ben.
Mijn vader speelde vroeger bongo's en conga's. Ik ben er dus min of meer mee opgegroeid en ik denk dat het ritme gewoon in me zat. Als kind was ik me daar natuurlijk niet van bewust, maar toen ik ouder werd en zelf muziek begon te maken en te begrijpen, kon ik die wereld aanboren. Ik hou van fanfares en marchingbands, van Japanse taikodrums, van percussie uit het Midden-Oosten, Perzië en India, en vooral van West-Afrikaanse percussie. Al die tradities raken iets in mij.”
Ritme is ook nauw verbonden met het lichaam.
Jlin: “Absoluut. Ik hou van beweging, ik hou van dans. Toen ik klein was, luisterden mijn ouders en ik op zondag na de kerkdienst naar platen en dansten we samen. Muziek en beweging zijn voor mij dus altijd hand in hand gegaan. Later raakte ik ook gefascineerd door gevechtskunsten: hoe het lichaam de houding van een dier kan aannemen, zoals een slang of een tijger. Ik probeer dat zoveel mogelijk in mijn muziek te verwerken of te belichamen, zeker wanneer ik met dans werk.”
Voor je samenwerking met het Kronos Quartet aan Little Black Book maakte je een elektronische demotrack, die vervolgens werd omgezet naar hun akoestische instrumenten. Als je beide versies beluistert, vallen enkele grote verschillen op: de demo is veel langer en heel wat specifieke elektronische klanken verdwijnen in de akoestische versie. Ervaar je dat als een kloof tussen de twee?
Jlin: “Ik zie dat niet als een kloof. Volgens mij heeft het Kronos Quartet zich gewoon ten volle uitgedrukt op zijn eigen manier. Bij een samenwerking heb ik nooit het gevoel dat er iets verloren gaat. Het is een uitdrukking van de artiest, en dat was precies wat ik van Kronos wilde. Ik verwachtte niet dat ze mijn muziek exact zouden reproduceren, maar dat ze die op hun eigen manier zouden interpreteren.
Het zijn twee perspectieven die samenkomen en iets nieuws voortbrengen. Een beetje zoals in de wiskunde, waar je vertrekt van een oorspronkelijke functie en daar vervolgens afgeleiden van maakt. Daar schuilt voor mij iets heel moois in.”
Als we wat dieper ingaan op de projecten die je bij Bozar presenteert: verloopt je samenwerking met Ictus op een vergelijkbare manier? Vertrekken jullie ook van elektronische demo's die naar akoestische composities worden vertaald?
Jlin: “Het zijn inderdaad vertalingen, maar niet noodzakelijk van demo's. Het zijn volledig uitgewerkte composities. Soms gaat die vertaalslag zo ver dat de muziek een heel nieuw leven krijgt en uiteindelijk uitmondt in een stuk dat we samen hebben geschreven.
Ik vind het heerlijk om niet op voorhand te weten waar ik aan begin en om alles uit een ervaring te halen. Ik hou ervan om in een situatie terecht te komen waarin ik me moet aanpassen en alles moet loslaten. Voor mij bestaat er niets mooiers dan je volledig over te geven aan het proces. Samenwerken met de twaalf muzikanten van Ictus is precies zo'n ervaring.”
Ik kan me voorstellen dat niet veel hedendaagse componisten die aanpak delen?
Jlin: “Ik begrijp wat je bedoelt, maar ik hou ervan om de controle los te laten. Daar zit voor mij een bijzondere schoonheid in. Of we nu samen optreden of iemand een stuk speelt dat ik heb geschreven: ik wil dat de muzikanten plezier beleven aan de muziek. Want ik weet dat iedereen dan het beste van zichzelf geeft. Veel meer dan wanneer ik krampachtig alles tot in de kleinste details probeer te controleren. Ik maak geen muziek om vervolgens te dicteren hoe die precies moet worden uitgevoerd. Ik moet respecteren dat ik eigenlijk gewoon een doorgeefluik ben waarlangs de muziek stroomt. En de uitvoerders zijn dat ook. Dus laat ik hen hun ding doen.”
Is er een groot verschil om voor een percussie-ensemble of een ensemble met melodische instrumenten te schrijven, aangezien ritme zo'n centrale rol speelt in je werk?
Jlin: “Voor mij is elk instrument ritmisch. Fluit, viool, altviool, cello, fagot... Je kan er zoveel mee doen, het is ongelooflijk! De enige voorwaarde is dat je bereid bent om de controle los te laten. En dan zien we wel waar we uitkomen.”
Ik vermoed dat zo'n overgave ook een zekere vertrouwensband tussen jou en de uitvoerders vereist?
Jlin: “Natuurlijk. En dat vertrouwen bouw ik vanaf het begin op. In negen van de tien gevallen heb ik het werk van de muzikant of het ensemble al beluisterd voor we beginnen samen te werken. Tegen de tijd dat ik beslis om met iemand in zee te gaan, is dat vertrouwen er dus al.”
Third Coast Percussion was een van de eerste ensembles die je akoestische composities uitvoerden. Jullie samenwerking gaat intussen al enkele jaren terug. Hoe is het allemaal begonnen?
Jlin: “Daarvoor moeten we terug naar 2017, toen David Skidmore me vroeg om muziek te schrijven voor Third Coast Percussion. Op dat moment lukte dat niet, omdat ik op tournee was met de voorstelling van Wayne McGregor en mijn tweede album, Black Origami, aan het promoten was. Maar ik heb de deur nooit helemaal dichtgedaan.
In 2019 pikten we het idee opnieuw op en gingen we uiteindelijk samenwerken. Ik trok naar hun enorme studio in Chicago, die vol akoestische instrumenten staat. Daar namen we gedurende acht tot twaalf uur zoveel mogelijk klanken op. Nadien begon ik met die geluiden composities te maken. Mijn ep Perspective is daar het resultaat van. En voor ik het wist, had David alweer een droom: zou het niet geweldig zijn als we samen op het podium zouden staan? Dus hebben we dat gewoon gedaan! Zo ontstond ook het idee dat ik zelf enkele van de akoestische stukken zou uitvoeren. En kijk waar we nu staan. De cirkel is helemaal rond. Ik werk ontzettend graag met hen samen. Ze zijn als familie voor mij.”
Is dat ook wat we bij Bozar mogen verwachten: een concert in twee delen, waarin jullie op verschillende manieren samenspelen?
Jlin: “Zonder al te veel te verklappen: ja. Er zijn momenten waarop ik de melodische partijen elektronisch speel, terwijl Third Coast Percussion de percussie akoestisch uitvoert, en omgekeerd. Soms creëer ik dus elektronisch de ritmes, terwijl zij de melodische partijen op percussie-instrumenten spelen. En er zullen ook momenten zijn waarop ik zelf akoestische instrumenten bespeel.”
Dat klinkt als een heel speelse aanpak, zowel op het podium als wanneer jullie samen muziek maken in de studio.
Jlin: “Iedereen met wie ik samenwerk, heeft iets speels: Holly Herndon, Björk, het Kronos Quartet, Philip Glass... Met Holly zaten we bijvoorbeeld gewoon bij haar thuis wat grapjes te maken en te experimenteren, tot we plots op iets botsten dat we allebei goed vonden. En ondertussen aten we Pringles! (lacht)”
Ritme raakte me diep. Het kreeg me helemaal in zijn greep en heeft me gevormd tot wie ik ben.
Laten we het over een bijzonder project hebben. In januari zal je muziek te horen zijn via de tachtig luidsprekers van het Acousmonium tijdens ons Total Immersion Festival. Hoe gaat dat precies in zijn werk?
Jlin: “Ik heb al eens iets gelijkaardigs gedaan in Berlijn, met 102 omnidirectionele luidsprekers. (nvdr: het Symphonic Sound System, ontworpen door 4DSOUND in het historische Funkhaus Berlin.) Waarschijnlijk zullen we bestaande composities van mij gebruiken en die over de verschillende luidsprekers verdelen. Ik kijk er enorm naar uit om mijn muziek door al die speakers te horen. Wat kan je je nog meer wensen?”
Nog maar twee jaar geleden was je een van de eerste artiesten die optraden in onze gerenoveerde Terarkenzaal. Heb je het gevoel dat concertzalen en multidisciplinaire cultuurhuizen steeds meer openstaan voor elektronische muziek, waardoor de grens tussen clubs en concertzalen vervaagt?
Jlin: “Ja, en ik vind het fantastisch dat dat gebeurt. Het werd tijd. Of misschien past het gewoon perfect bij het moment waarin we leven. Een publiek dat steeds meer openstaat voor verschillende muziekstijlen, geeft muzikanten meer flexibiliteit en vrijheid. Het daagt componisten, muzikanten en dirigenten uit. Soms beseffen ze misschien niet eens dat ze hun instrumenten op een nieuwe manier gebruiken.
We evolueren naar een prachtige wereld waarin genres samenkomen in plaats van elk op hun eigen eiland te blijven. Klassieke muziek die alleen in een concertzaal thuishoort? Avant-gardemuziek die beperkt blijft tot een tentoonstellingsruimte? Nee, we kunnen dat allemaal samenbrengen op één plek. En volgens mij is het publiek daar klaar voor.”