Je betreedt een virtueel huis, dat de traditionele architectuur van Bagdad ademt, en je ziet er foto’s die zich openvouwen tot ruimten die de verteller met zijn herinneringen en zijn stem vormgeeft. De foto’s en de opgenomen verhalen versmelten tot het materiaal voor een uitgebreid fotografisch moment: een intieme ontmoeting waarbij je naar iemands verhaal kunt gaan zitten luisteren. Via het digitale materiaal en de taal van videogames schept het werk een ruimte voor de Iraakse herinneringen en ervaringen, en vecht het de dominante voorstelling van Irak binnen dat medium aan. Het is een doorlopend project en het is rechtstreeks gelinkt aan de foto’s en de verhalen die het Iraq Photo Archive ontvangt.
Je bent bekend met de wereld van de fotografie en het bewegende beeld, en sinds kort ben je je ook gaan toeleggen op nieuwe technologieën zoals virtual reality. Wat vind je zo interessant aan dat medium?
Basil Al-Rawi: In mijn praktijk heb ik altijd gebruikgemaakt van zowel stilstaande als bewegende beelden. Ik benader de fotografie als een medium waarmee ik kan bouwen, waarbij de betekenis ontstaat uit het samenspel van ruimte, licht, compositie, schakering en textuur. Ik ben ook al lang geboeid door videogames en virtuele ruimten, en ik wou onderzoeken of ik die ruimten kon gebruiken om het fotografische moment te reconstrueren en uit te breiden.
Baba Gurgur بابا گرگر (Father Of Flames), 1927, een werk dat ik in 2019 heb aangevat, was een keerpunt. De aanzet was een archieffoto van de asfaltbranden in Gurgur, in de buurt van Kirkoek in Noord-Irak, waar de eerste grote olievoorraden van het land gevonden zijn. Ik vind dat beeld onweerstaanbaar. Het was als het ware een verdichting van de geologische tijdschaal en van de bron van veel trauma’s waaronder de regio en de ruimere wereld tegenwoordig lijden. Ik wou een interpretatieve reconstructie van dat fotografische moment maken met behulp van slow motion en filmische beweging door de ruimte, om zo een soort van visuele meditatie over de plek tot stand te brengen.
Zo kwam ik op het idee een game-engine te gebruiken om de archieffoto te reconstrueren in de ruimte en een tijdselement toe te voegen via een virtuelefilmcamera. Dat idee heeft zich verder ontwikkeld in House of Memory en zo zijn er drie elementen bijeengekomen: een foto, een audioverhaal rond een persoonlijke herinnering en de ruimtelijke herschikking van dat materiaal binnen een virtuele omgeving. In House of Memory mondt dat uit in een erg intieme en op het gevoel werkende kennismaking met iemands verhaal. De verhalen roepen dingen op die de foto niet kan laten zien: de herinnering aan de geur van citrusbomen in een tuin, het gezang van de buulbuul, of het gevoel dat in een moment vervat zit. Die details geven de ruimte haar vorm, en bepaalde elementen van de omgeving verschijnen of veranderen naarmate het verhaal zich ontvouwt. Ik wil graag de sfeer weergeven waarin een herinnering baadt, met de bijbehorende hiaten en subjectiviteit. Dat heb ik ergens anders al de “emotionele architectuur van de herinnering” genoemd.
Ik wou VR op een dusdanige manier inzetten dat de missielogica van een videogame onderuit wordt gehaald. Je hoeft dan ook geen opdracht tot een goed einde te brengen. Je loopt ook niet rond met een controller in je hand, maar je gebruikt je blik om door de ruimte te bewegen en ermee in interactie te treden. Dat vestigt ook de aandacht op het kijken als handeling: hoe we eruitzien is belangrijk, en waar we naar kijken is belangrijk. Zodra je deze virtueel opgebouwde visuele wereld hebt betreden, draait dit werk niettemin ook heel erg om luisteren.
Ik vind VR ook een ingewikkeld medium, door zijn verhouding tot geweld en door het gebruik binnen militaire opleidingssimulaties en de behandeling van posttraumatische stress. Ik wou het potentieel van virtual reality verkennen in het licht van een ander soort ontmoeting met de fotografie en persoonlijke herinneringen, en om de Iraakse landschappen en het erfgoed weer te geven op een manier die hun rol als virtueel strijdtoneel overstijgt.
Je streeft ernaar om het beeld van Irak bij te sturen dat leeft bij het grote publiek, en dat vervormd is door gameomgevingen, oorlogsgames, en de gangbare narratieven van de media. Kun je daar even wat dieper op ingaan?
Al-Rawi: Het uitgangspunt van dit werk is heel persoonlijk en is gegroeid uit de fotoalbums van mijn vader als jongeman in Irak. Op de beelden is hij te zien als student tijdens excursies, of grappend met zijn vrienden. Ik ben opgegroeid in Ierland en die foto’s stonden haaks op wat we daar te zien kregen in het nieuws, de films en de videogames.
Dat contrast had ook een impact op hoe ik naar mezelf keek: de albums bezorgden me een gevoel van herkenning en van ergens bij te horen, en dat vond ik niet terug in die publieke beelden. Een groot deel van de Iraakse hedendaagse (vooral visuele) geschiedenis is door anderen vastgelegd. De engheid van die voorstelling heeft duizenden jaren van cultuur, en een verscheidenheid aan etnische groepen, talen, keukens, erfgoed en vernieuwing afgevlakt tot een heel eendimensionaal idee van een plek en haar mensen. In die persoonlijke, alledaagse foto’s zag ik een enorm potentieel om vanuit de gemeenschap een tegenarchief op te bouwen dat een plek van authentieke representatie in het leven kon roepen die door de gemeenschap wordt vormgegeven.
In mijn jeugd was ik weg van videogames, maar in veel van die games deden Irak en de Iraakse landschappen dienst als symbool voor geweld en verwoesting. Meer algemeen werden omgevingen die worden geassocieerd met Arabieren, of West-Azië, plekken waar per definitie conflicten om de hoek loeren. Ik herinner me nog Desert Strike, de game die in 1992 is uitgebracht en Return to the Gulf als ondertitel had. Je kroop in de huid van een Apache-helikopterpiloot en voerde missies uit in een niet nader genoemd West-Aziatisch land, maar de referentie was bezwaarlijk subtiel te noemen. De game was ontzettend populair onder mijn vrienden, (n.v.d.r. in 1992, een jaar na de Eerste Golfoorlog, was Desert Strike ook de bestverkopende game van Electronic Arts), maar pas toen ik al wat ouder was, ging ik me kritische vragen stellen bij de verhouding tussen die media en bij hoe ze de representatie en de publieke perceptie beïnvloedden. Ik ben dan ook geïnteresseerd in de manier waarop dergelijke voorstellingen mee kunnen leiden tot het ontstaan van een draagvlak voor geweld, en in hoe diezelfde media op hun beurt ingezet kunnen worden om andere soorten van representatie tot stand te brengen. Tegelijkertijd denk ik niet dat het de taak is van de Irakezen, of van andere fout voorgestelde groepen, om de vertekende westerse percepties te blijven bijsturen. Het publiek in het Westen draagt de verantwoordelijkheid om een beter inzicht te verwerven in de media waarop ze een beroep doen, en om de wijze waarop ze worden geproduceerd en onthaald kritisch te analyseren.
Ik wou in de eerste plaats de Irakezen de kans bieden hun eigen verhaal te vertellen, op hun eigen voorwaarden, en de herinneringen te delen die ze graag wilden delen. Het archief, de mondeling overgeleverde verhalen en de virtuele omgevingen … het is allemaal gegroeid vanuit het verlangen om een ruimte op te bouwen rond de eigen beelden en verhalen van de mensen, een ruimte waar je kunt kennismaken met beelden en waar verhalen verteld en gehoord kunnen worden.
“Ik wou in de eerste plaats de Irakezen de kans bieden hun eigen verhaal te vertellen, op hun eigen voorwaarden, en de herinneringen te delen die ze graag wilden delen.”
De verschillende intieme getuigenissen die we in de tentoonstelling te horen krijgen via video’s, het VR-gedeelte en de fotoreportages schetsen een beeld van een Irak uit lang vervlogen tijden. Wat wil je bereiken met het Iraq Photo Archive, je project?
Al-Rawi: Het Iraq Photo Archive is gegroeid uit de fotoalbums van mijn vader en uit het verlangen om een ander soort fotoverzameling uit te bouwen. Tijdens mijn onderzoek stuitte ik op historische verzamelingen in westerse instellingen die voornamelijk focusten op koloniale expedities en etnografie, en op hedendaagse commerciële fotodatabanken (n.v.d.r. zoals bijvoorbeeld Getty Images), waarin Irak overwegend in een context van conflict werd geplaatst. En dan had je ook nog mensen zoals mijn vader, die eenvoudigweg foto’s van hun leven maakten. Ik was benieuwd wat die persoonlijke en familiearchieven konden onthullen.
Oorspronkelijk ging ik uit van mijn eigen referentiekader. Ik focuste op foto’s die Irak samen met de mensen van de diaspora hadden verlaten. Ze zaten in albums, kasten en laden, en werden de toetsstenen van de herinneringen en de band met een plek waarvan de mensen waren gescheiden. Je haalt ze tevoorschijn, je bekijkt ze en je herinnert je dingen. Dat staat centraal in dit project.
Het is een bescheiden archief. Het is niet onze ambitie om het uit te bouwen tot een enorme of alomvattende collectie. We willen enkel de aandacht vestigen op alledaagse beelden en op wat ze oproepen bij de mensen. Sommige foto’s hebben een lage resolutie of zijn onscherp, en soms hebben we alleen een met een telefooncamera gemaakte foto van een print, die dan via messaging-apps rondgaat in families. Wat telt is de herinnering die ze in zich meedragen. Een foto die een buitenstaander weinig vertelt, kan een intens gevoel van familie, thuis of geluk oproepen voor wie hem heeft bewaard.
Op sociale media en messagingplatformen worden nu al heel wat Iraakse foto’s op een informele manier gearchiveerd. Beelden worden gekopieerd, gedeeld en voorzien van commentaar die nu eens accuraat en dan weer volledig verzonnen is. Die verspreiding illustreert dat de mensen zich willen kunnen vastklampen aan een geschiedenis of narratief. Ik heb hier de band tussen de foto’s en de mensen en herinneringen erachter intact gehouden. Dat was essentieel voor dit project.
Veel mensen die hebben bijgedragen tot de VR-verhalen behoren tot een generatie die nog herinneringen heeft aan het bloeiende Irak van voor de conflicten die de representatie van het land later zouden domineren. Ze hebben ervaren hoe het op dat moment was, ze voelden het verdriet dat gepaard ging met het vertrek en, in sommige gevallen, met het besef dat ze jarenlang niet, of nooit meer zouden kunnen terugkeren. Het archief biedt via persoonlijke herinneringen ruimte aan die ervaringen. Die herinneringen zijn onvolledig en persoonlijk, en laten ruimte voor zowel contradictie als affectie. In dit project draait het om de manier waarop mensen zich dingen herinneren en die ervaringen meedragen in hun huidige leven.
Wat is jouw connectie met Brussel? Waarom vind je het belangrijk om je werk net hier te laten zien? Wat wil je dat het Brusselse publiek eruit leert?
Al-Rawi: Brussel is zowel de hoofdstad van Europa als een machtscentrum. Het is een plek waar veel beslissingen worden genomen, en een stad waar veel nationaliteiten en gemeenschappen samenleven. Deze tentoonstelling in Brussel is dan ook een fantastische gelegenheid om dat diverse publiek te laten kennismaken met deze verhalen. Daarbij denk ik ook aan de Irakezen die in Brussel wonen en aan de mensen die hun ervaringen misschien op een of andere manier weerspiegeld zullen zien in het werk.
En dan is er ook nog de Ierse dimensie. Ik ben half Iraaks en half Iers. Ierland, waar ik opgegroeid ben, heeft me een thuis, een cultuur, vriendschap en een familie geschonken. De tentoonstelling in Brussel vindt plaats tijdens het Ierse voorzitterschap van de Raad van de EU. Daarmee wordt ook dat deel van mijn ervaring belicht. De Ierse ervaring is ook diepgeworteld in de diaspora. Je laat alles achter, je bouwt ergens anders een nieuw leven op, en jaren later blik je terug op die beslissing. Veel mensen zullen daar wel iets in herkennen.
Ik zou willen dat het publiek naar huis gaat met een genuanceerdere kijk op de menselijke ervaringen in deze verhalen. Op de foto’s zijn verlovingsfeesten te zien, mensen die reizen, die ontspannen, die thuis dansen en genieten van hun wereld. Dat zijn voor veel mensen herkenbare momenten. We nemen vaak foto’s omdat we blij zijn, of omdat iets als een bijzondere aangelegenheid aanvoelt, en dat willen we bewaren.
Ik hoop dat de mensen zich dankzij die vertrouwdheid zullen kunnen inleven in de verhalen, dat ze zullen stilstaan bij hoe ze zich zelf verhouden tot foto’s, herinneringen en thuis, en dat ze aandachtig zullen luisteren naar de stemmen en de details waaraan elke herinnering haar eigen karakter ontleent.
Hoe voelde je je toen je de deelnemers aan het project interviewde en naar hen luisterde? Raakte dat je ook persoonlijk?
Al-Rawi: Ik was in de eerste plaats heel dankbaar dat de mensen er zo veel tijd voor uittrokken en me voldoende vertrouwden om hun herinneringen met me te delen. De gesprekken waren weleens emotioneel, en ze gaven me een beter inzicht in de beslissingen die mensen moeten nemen als hun keuzes erg beperkt zijn.
Dat hele proces van de mondelinge geschiedenis, dat nog altijd loopt, heeft een ingrijpend effect op me gehad. Ik luister naar de verhalen van de mensen en ik hoor hoe hun individuele ervaringen met elkaar verbonden zijn, maar ik hoor ook echo’s van mijn vader, en dat voegt lagen van nuance toe aan mijn begrip van zijn ervaringen en verhalen. Ik ben in september 2018 aan mijn doctoraat begonnen, en zes weken later is hij helaas overleden, nog voor ik zijn mondelinge verhalen kon vastleggen. Daardoor was het bijzonder aangrijpend om te luisteren naar de herinneringen van andere mensen.
Het was ook een gedroomde gelegenheid om andere Irakezen uit alle windstreken te leren kennen. Het heeft me nieuwe vriendschappen en samenwerkingen opgeleverd. Het heeft me er ook toe aangezet om persoonlijk stil te staan bij de complexiteit van de diaspora-ervaring, van die diepe connectie die je voelt met een cultuur waarmee je je soms ook helemaal niet verbonden voelt. Voor mij is dat een transformerende ervaring geweest.
De verhalen in het VR-werk zijn bewerkingen van veel langere gesprekken. Ik heb de transcripties en de bewerkingen gedeeld met de deelnemers, en ze hebben de verhalen die nu deel uitmaken van de ervaring hun fiat gegeven. Het publiek krijgt lang niet alles te horen, en misschien zal zich in de toekomst ooit nog de gelegenheid aanbieden om, met de toestemming van de deelnemers, meer van die verhalen te delen.
“Hoe meer verhalen, hoe zichtbaarder de verscheidenheid binnen een gemeenschap wordt, en hoe rijker en dieper je inzicht wordt.”
In welke mate kunnen fotoarchieven van individuen onze collectieve verhalen veranderen?
Al-Rawi: Volgens mij kunnen ze een enorme bijdrage leveren. Wanneer individuele verhalen samenkomen, legt elk verhaal een nieuwe laag of nuance op een collectief beeld. Hoe meer verhalen, hoe zichtbaarder de verscheidenheid binnen een gemeenschap wordt, en hoe rijker en dieper je inzicht wordt. Er is ruimte voor parallelle verhalen die worden vormgegeven door families en gemeenschappen. Hun onderlinge verschillen maken deel uit van wat dat collectieve beeld betekenisvol maakt.
Dat was een van de boeiendste aspecten van de interviews. Ik ben begonnen met open vragen te stellen en liet de mensen hun eigen herinneringen volgen. Af en toe vroeg ik hun de fysieke ruimte of iets wat achter de foto schuilging te beschrijven, zoals een geluid of een geur. Maar vaak leidde een foto het gesprek naar iets heel onverwachts. Herinneringen ophalen kan prettig zijn, maar het kan ook een gevoel van verlies oproepen.
Archieven bepalen mee hoe een gemeenschap of een land zichzelf begrijpt. Nationale collecties, in het bijzonder het materiaal dat voor iedereen zichtbaar is, zijn vaak zorgvuldig samengesteld en gecureerd. Een benadering die vertrekt vanuit de gemeenschap creëert de ruimte voor andere ervaringen. De mensen zullen uiteraard keuzes maken wat hun bijdrage betreft, maar ze hebben wel de vrijheid om zichzelf te vertegenwoordigen.
Voor mij draait dit ook om het creëren van plekken waar je je een deelgenoot van iets groters voelt. Dat doen de gemeenschappen van de diaspora op veel manieren: een Ierse gemeenschap die, bijvoorbeeld, in het buitenland een Gaelische voetbalploeg opricht, creëert een plek waar mensen zichzelf kunnen herkennen en zich met elkaar verbonden kunnen voelen. Met het archief en House of Memory werk ik naar iets vergelijkbaars toe, zowel in de galerie als in de digitale ruimte. Ze maken plaats voor Iraakse beelden, stemmen en herinneringen binnen een medium waar de bestaande representaties vaak zeer problematisch geweest zijn. Het huis is ook zo ontworpen dat het kan groeien en op die manier ruimte maakt voor nog meer beelden, stemmen en herinneringen. Voor mij is het een plek waar herinneringen gedragen en gedeeld kunnen blijven worden.