Je bent dit seizoen een van de vier portretartiesten, naast Jeanine De Bique, Pavel Kolesnikov en Jlin. Ben je vertrouwd met hun werk?
Thorvaldsdottir: “Ik heb eerder al muziek van Jlin gehoord, maar de anderen ben ik nog aan het leren kennen. Het is altijd fijn om nieuwe artiesten te ontdekken en te zien waar zij mee bezig zijn. Dat wordt dus een plezier.”
Luister je vaak naar elektronische muziek?
Thorvaldsdottir: “Ik luister erg graag naar verschillende genres en ik beluister behoorlijk veel elektronische muziek. Soms is die meer gebaseerd op drones, soms meer op ritmes, en vaak is ze erg abstract. Dingen resoneren natuurlijk op verschillende momenten en op verschillende manieren met ons, dus ik laat me daarin graag meevoeren.”
Je muziek is zeer nauwkeurig genoteerd, maar er is ook een verwantschap met elektronische muziek; vaak voelen je werken aan als soundscapes die je langzaam ontvouwt. Misschien had je dit soort werk niet kunnen schrijven vóór de opkomst van elektronische muziek.
Thorvaldsdottir: “Ja, daar ben ik het absoluut mee eens. Ik haal veel inspiratie uit elektronische muziek: de manier waarop klank en beweging daarin werken is heel inspirerend. Ook de manier waarop geluid zich door een orkest kan verplaatsen – tegelijk organisch en technisch – spreekt me enorm aan. Elektronische muziek staat soms ook ver af van de menselijke uitvoering. Ik hou ervan om die twee elementen samen te brengen: klanken die soms heel rauw zijn, maar dan wel op een heel menselijke manier.”
Je groeide op in IJsland, met zijn heel specifieke landschappen. Heeft dat jou en je composities beïnvloed?
Thorvaldsdottir: “Ja, daar ben ik zeker van. Toen ik opgroeide, dacht ik dat dit overal normaal was; je bent er altijd dicht bij de oceaan en het landschap is zo open – meestal kun je heel ver kijken en eindigt het zicht ergens aan de horizon bij een berg. Ik denk dat ik dat gevoel van ruimte op de een of andere manier met me meedraag in mijn muziek. Ik probeer het landschap niet te beschrijven in mijn werk, maar het maakt wel deel uit van wie ik ben. Ook zijn er veel elementen in de natuur met een eigen energie en kracht die me inspireren, eenvoudige dingen zoals het weer. Het zijn dus eerder de energie, de structuur en de stroom van de natuur die me inspireren dan specifieke plaatsen of dingen.”
“Ik hoor dingen in lagen, met verschillende texturen die tegelijkertijd bewegen. Het orkest is daar een prachtig medium voor.”
Je vertrekt vaak van schetsen, van tekeningen. Hoe verloopt dat proces?
Thorvaldsdottir: “Voor mij begint het proces eigenlijk nog een stap eerder, omdat de schets voortkomt uit wat ik innerlijk hoor. De eerste stap is dus ontdekken waar een muziekstuk wil leven. Op dat moment heb ik meestal al de bezetting in gedachten en weet ik wie de première zal spelen. Zodra de ideeën vorm beginnen te krijgen en ik een gevoel heb voor de klank, de structuur en de beweging, begin ik te schetsen om de muziek te onthouden. Die schetsen voeden vervolgens ook weer de ideeën en leveren nieuwe ideeën op. Dat is een heel belangrijk onderdeel van mijn creatieve proces. Ik heb een leidraad, maar één die voortdurend verandert. Wanneer ik een helder beeld heb van het nieuwe werk, begin ik met het noteren ervan.”
Ga je dan ook terug naar die leidraad?
Thorvaldsdottir: “Ik gebruik ze als geheugensteun. Ze zijn er om naar terug te keren en naar een idee te luisteren terwijl ik het uitschrijf, want ik schrijf vaak grote werken voor veel musici. Dat zijn enorm veel noten en het kost veel tijd om alles te noteren. Op die manier hoef ik niet voortdurend alles in mijn hoofd te houden. Tijdens het schrijven hang ik de schetsen zelfs aan de muur, zodat ik kan zien: dit is die plek in het stuk.”
Een soort gids door je innerlijke ‘klankpaleis’.
Thorvaldsdottir: “Ja, absoluut. Niemand anders zou precies kunnen horen wat ik hoor wanneer ze naar die schetsen kijken. Ze zouden misschien iets heel anders horen. Het zijn dus zeker geen grafische partituren.”
Je voelt je sterk aangetrokken tot het orkest. Wat spreekt je daarin zo aan?
Thorvaldsdottir: “Het sluit heel nauw aan bij hoe ik muziek innerlijk hoor. Ik hoor dingen in lagen, met verschillende texturen die tegelijkertijd bewegen. Het orkest is daar een prachtig medium voor. De mogelijkheden zijn eindeloos en ik geniet ervan om met meerdere dimensies van klank te werken.”
De orkesttraditie gaat enkele eeuwen terug, en soms duiken er ook sporen van het verleden op in je muziek. Aan het einde van AERIALITY lijkt zich bijvoorbeeld kortstondig een romantische symfonie te ontvouwen, met brede, golvende melodische lijnen.
Thorvaldsdottir: “Oudere muziek maakt altijd deel uit van wie we vandaag zijn, van waar ik sta en van de weg die ik heb afgelegd. Ik ben niet bang om heel hedendaags materiaal te combineren met schijnbaar ouder materiaal. Voor mij is het bijzonder boeiend om lyriek te verbinden met abstracte klanken en met de stroom van harmonische texturen. Ik leef eigenlijk in een wereld waarin beide gelijkwaardig naast elkaar bestaan. Ik ben niet bang om een melodie of iets lyrisch te schrijven. Maar ik doe hetzelfde met klank: ik denk op een heel lyrische manier na over nuances en texturen. Ik schrijf ze uit als melodieën. Het gaat dus niet alleen om de klank op zich, maar ook om de boog die die klank beschrijft.”
AERIALITY wordt uitgevoerd tijdens het openingsconcert van het BNO. Het werk dateert uit 2011 en is het oudste stuk op het programma. Doorheen het seizoen horen we werken uit de voorbije vijftien jaar, een dwarsdoorsnede van je orkestoeuvre.
Thorvaldsdottir: “Het is geweldig om zoveel orkestwerken binnen één seizoen te kunnen presenteren, omdat het ons allemaal de tijd geeft om samen te leven en te ademen op een manier die bij hedendaagse muziek meestal niet mogelijk is. Dat vind ik iets heel moois. Het orkest zal steeds dieper in de muziek duiken. Dat is bijzonder waardevol en geeft ons ook de tijd om elkaar echt te leren kennen.”
Over tijd gesproken: in AERIALITY staat een heel beeldende en poëtische uitvoeringsinstructie: “Wanneer je een lange aangehouden toon ziet, denk dan aan een fragiele bloem die je in je handen draagt terwijl je over een dun koord loopt, zonder haar te laten vallen of zelf te vallen. Het is een manier om tijd te meten en de kleine veranderingen op te merken die plaatsvinden terwijl je verder wandelt over hetzelfde dunne koord.” Dat lijkt een grote verantwoordelijkheid bij de muzikant te leggen.
Thorvaldsdottir: “Ik schrijf graag zulke korte maar betekenisvolle beschrijvingen om mijn intenties als componist duidelijk te maken en een gevoel van urgentie, maar ook van kracht mee te geven. Want zodra mijn werk af is en ik de muziek overdraag, is het hun muziek geworden. Zij voeren ze uit. Ik kan alleen aanwijzingen geven, een sfeer suggereren. Deze beschrijving moest het gevoel oproepen van de krachtige urgentie die kan schuilen in iets ogenschijnlijk eenvoudigs als een aangehouden noot.”
Dat is interessant. Door zo’n instructie wordt die noot misschien meer dan enkel een lange toon; ze krijgt een zekere intensiteit.
Thorvaldsdottir: “Precies, absoluut.”
“Voor mij is het bijzonder boeiend om lyriek te verbinden met abstracte klanken en met de stroom van harmonische texturen.”
Ook in je programmatoelichtingen gebruik je veel metaforen. In AERIALITY gaat het over zweven door de lucht, in METACOSMOS over het vallen in een zwart gat en in je celloconcerto Before we fall over balanceren op de rand. Wat trekt je zo aan in dat soort beelden?
Thorvaldsdottir: “Die metaforen gaan zowel over strijd als over aanvaarding, over leven en verbondenheid. Muziek wordt spannend wanneer er krachten in evenwicht moeten worden gehouden. Voor mij is het ook spannend om die krachten samen te brengen tot iets dat coherent en mooi klinkt. Zulke metaforen helpen ook om het materiaal te dragen op een manier die betekenisvol is. Bij het celloconcerto bijvoorbeeld begint het idee van balanceren op de rand invloed uit te oefenen op de orkestratie en op de manier waarop je elke noot behandelt. Dat is heel krachtig. Maar uiteindelijk gaat het natuurlijk om de muziek zelf, om hoe mensen haar ervaren en hoe ze ons raakt. Muziek, en kunst in het algemeen, wordt altijd gemaakt door mensen binnen de tijd waarin ze leven. Daardoor komen er menselijke elementen in terecht die verbonden zijn met ons leven.”
CATAMORPHOSIS is een werk over onze tijd, een bijzonder urgent werk. Het gaat over onze kwetsbare relatie met de planeet.
Thorvaldsdottir: “Vanaf het begin van het compositieproces werd ik geïnspireerd door dat gevoel van urgentie, door die strijd, maar ook door hoop. Terwijl ik eraan werkte, brak de pandemie uit. Ik schreef aan dit enorme werk terwijl niemand nog samen in één ruimte mocht zijn. Daardoor kreeg het stuk heel organisch een bijzonder intense lading. Tegelijk is er ook een diep gevoel van hoop en lichtheid dat erdoorheen schijnt en dat de momenten van vervorming in evenwicht brengt — momenten waarop we samenkomen, in harmonie of in ritme.”
Je eerste concerto, gecomponeerd in 2024, wordt ook uitgevoerd. Waarom heb je zo lang gewacht om er een te schrijven?
Thorvaldsdottir: “Ik heb een heel diepe passie voor het werken met het orkest, voor die klankmassa en de verbondenheid. Daarom wilde ik wachten tot ik een concerto kon schrijven dat op al die vlakken echt betekenisvol zou zijn. Natuurlijk is er een solist, maar het was voor mij heel belangrijk dat alle elementen op een gelijkwaardige manier met elkaar verbonden zijn. Het orkest vormt een wezenlijk onderdeel van het werk en vervult niet louter een begeleidende rol. De cello wordt licht versterkt, omdat ik het orkest niet in volume wilde temperen; integendeel, ik wilde het de ruimte geven om ten volle te klinken. Dat heeft ook met een bepaalde ideologie te maken: voor mij draait muziek om gemeenschap, om ons allemaal. Daarom moest ik heel zorgvuldig bepalen hoe ik dat evenwicht vorm wilde geven.”
Het stuk is erg lyrisch, maar de cellopartij is soms ook bijzonder krachtig.
Thorvaldsdottir: “Ja, absoluut. Het is een heel veeleisende en intense partij die de solist doorheen het hele werk moet dragen. Maar er zijn ook veel momenten waarop je terechtkomt in een meer open ruimte, vol diepe lyriek.”
De cello is ook je oorspronkelijke instrument. Dat heeft wellicht meegespeeld.
Thorvaldsdottir: “Ja, het voelde heel vanzelfsprekend dat de cello het eerste concerto zou worden dat ik schreef. Natuurlijk moet ik alle instrumenten goed kennen, maar met je eigen instrument heb je een bijzondere relatie. Dat voelde heel organisch.”
“Maar ik laat me altijd leiden door mijn innerlijke muzikale stem. Aan het begin ga ik naar die plek waar ik over de muziek mediteer. Waar wil ze leven? Is ze heel genuanceerd? Heel krachtig? Dat is telkens opnieuw de leidraad die mij van bij het begin de weg wijst.”
METAXIS is ongebruikelijk werk: het BNO verhuist naar de Ravensteingalerij, waar het uiteenwaaiert in verschillende groepen.
Thorvaldsdottir: “Ja, het is een werk voor een gedeconstrueerd orkest in een open ruimte waar je vrij kan rondwandelen, midden in de muziek kunt staan en ervaren hoe de klanken zich verplaatsen. Iedereen kan daarbij zijn eigen luisterpositie kiezen: je kunt dichter bij het lage register gaan staan, of juist bij het hoge ... Het publiek speelt een heel belangrijke rol want iedereen luistert vanuit een ander perspectief en beleeft de muziek op een andere manier, afhankelijk van waar hij of zij zich bevindt. Ook visueel is het bijzonder om het orkest in deze opstelling aan het werk te zien.”
Het werk lijkt daardoor dichter aan te leunen bij geluidskunst dan bij een traditionele orkestcompositie.
Thorvaldsdottir: “Absoluut. Het is heel interessant om een volledig orkest in een ruimte te brengen die niet zijn gebruikelijke omgeving is. Het is indrukwekkend om al die mensen te zien, verspreid over verschillende verdiepingen of ver uiteen in dezelfde ruimte. Dat brengt ook heel wat technische uitdagingen met zich mee, zowel tijdens het componeren van het werk als bij de plaatsing van de musici in de ruimte. Ik was dan ook een tijdje geobsedeerd door de opstelling van de instrumenten: wie moet samen zitten, wie dicht bij elkaar, wie juist ver uit elkaar? Dat moest ik weten vóór ik begon te schrijven, omdat ik wilde bepalen hoe het muzikale materiaal zich zou bewegen, zowel in de fysieke ruimte als binnen de muziek zelf.”
Er staan ook twee meer intieme werken op het programma: het strijkkwartet Enigma, tijdens Ars Musica, en Spectra voor ensemble. Hoe voelt het om terug te keren naar die kleinere schaal en de rijkdom van het orkest achter je te laten?
Thorvaldsdottir: “Daar geniet ik ook enorm van, omdat je dan een andere tastbaarheid van klank verkent. Je moet heel anders nadenken over materiaal, structuur en hoe je ideeën draagt. Enigma gaat bijvoorbeeld vooral over hoe de muziek in- en uitademt, over de nuances, klanken en texturen doorheen het hele stuk. In kamermuziek kan je natuurlijk dingen doen die met een orkest niet mogelijk zijn. Vaak schrijf ik tegelijk aan een orkestwerk en aan een kleiner stuk, omdat ze voor mij in verschillende atmosferen bestaan. Maar ik laat me altijd leiden door mijn innerlijke muzikale stem. Aan het begin ga ik naar die plek waar ik over de muziek mediteer. Waar wil ze leven? Is ze heel genuanceerd? Heel krachtig? Dat is telkens opnieuw de leidraad die mij van bij het begin de weg wijst.”
Speelt muziek voortdurend in je hoofd, of kun je dat makkelijk uitschakelen?
Thorvaldsdottir: “Dat hangt ervan af. Ik wil het eigenlijk niet uitschakelen, want daar ontstaat de muziek. Terwijl ik innerlijk luister, worden er steeds nieuwe elementen toegevoegd en stapelen de lagen zich op. Het kan beginnen met een eenvoudig ritme of een eenvoudige klank. En dan groeit het geleidelijk uit tot een volledig universum waarin al die lagen samenkomen. Dat gebeurt alleen wanneer ik er echt mee kan leven.”
Cedric Feys