Gepubliceerd op - Klaas Coulembier

Gay Guerilla van Julius Eastman

In de concertreeks ‘Echoes of the 20th Century’ vertellen we het verhaal achter twaalf iconische composities uit de 20e eeuw. Op 19 mei spelen zes uitmuntende pianisten het meeslepende Gay Guerilla van Julius Eastman, naast werk van Reich en Wolfe.

Dit artikel kadert in

Echoes of the 20th Century

Hoe relevant is de biografie van een componist voor zijn muzikale oeuvre? Er bestaat natuurlijk geen eenduidig antwoord op deze vraag. Bij sommige componisten weerspiegelt hun artistieke output hun – al dan niet turbulente – levenswandel, terwijl bij anderen de muziek of kunst los kan worden gezien van hun biografie. Julius Eastman is in dat opzicht een bijzondere kunstenaar. Zijn biografie leest als het onwaarschijnlijke verhaal van iemand die grote hoogtes kende om in een diep dal te eindigen. De rode draad in dat verhaal is dat de man en zijn kunst nauw met elkaar verweven waren. Dat een zwarte, homoseksuele man in de jaren 1970 werken schreef als Crazy Nigger, Nigger Faggot of Gay Guerilla doet vermoeden dat hij met deze muziek sociaal-politieke statements wilde maken. Maar hoewel deze titels absoluut provocerend bedoeld zijn, behoudt de muziek ook zonder de context haar volle waarde en effect.

Een man van contradicties

Het levensverhaal van Julius Eastman is fascinerend, en laat ons een man van tegenstellingen zien. Dat begint al bij zijn aparte voornaam, die hij deelde met zijn vader. Eastman werd geboren in een familie van bouwers en ingenieurs met West-Indische wortels. Zijn grootvader was een selfmade schrijnwerker die trappen maakte, maar die ook een bijzondere interesse had voor de Europese geschiedenis. Hier vond hij de inspiratie om zijn kinderen namen als Oliver (naar Oliver Cromwell), Rebekah (naar de bijbel), of Julius (naar Caesar) te geven. Julius werd ingenieur en trouwde met Frances Famous. Hoewel hij uitdrukkelijk geen kinderen wilde, werd Frances toch zwanger en op 27 oktober 1940 werd Julius junior geboren. Later kwam daar nog de jongere broer Gerald bij. Beide kinderen zouden een klassieke muzikale vorming krijgen in Ithaca, New York. Gerald ‘Gerry’ Eastman zou een bekende jazzmuzikant worden, Julius een eigenzinnige componist en performer in de ‘klassieke avant-garde’.

In 1959 werd hij toegelaten aan het Curtis Institute of Music (Philadelphia), waar hij piano, muziektheorie en compositie studeerde. Later vervoegde hij de Creative Associates aan State University of New York in Buffalo, een uitzonderlijk vooruitstrevend residentieprogramma voor nieuwe muziek, waar hij in contact kwam met onder meer Morton Feldman, John Cage en Lukas Foss. Hij kreeg er gaandeweg ook lesopdrachten en doorheen de jaren 1970 zou SUNY de plek zijn waar hij zijn muziek ontwikkelde en presenteerde. Het was ook de plek waar hij telkens weer de grenzen van de avant-gardemuziek opzocht en zijn eigen stijl en persoonlijkheid ontwikkelde.

“To be only a composer is not enough” - Julius Eastman

In de professionele muziekwereld liet Julius Eastman zich aanvankelijk opmerken als zanger. Zijn diepe, unieke en bijzonder flexibele stem is te horen op de opname uit 1973 van Peter Maxwell Davies’ Eight Songs for a Mad King. Van bij het begin was echter duidelijk dat hij niet zomaar een muzikant was, maar ook een eigengereid kunstenaar en performer in de breedste zin van het woord. Volgens één van de vele sterke verhalen zou hij het zelfs met de immer minzame John Cage aan de stok gekregen hebben omwille van een onconventionele uitvoering van diens Song Books.

Zijn eigen muziek vindt aansluiting bij de minimal music, maar met een sterk persoonlijke touch. Geïnspireerd door onder andere jazz en improvisatie (hij hield contact met zijn broer Gerry) creëerde hij in zijn partituren vaak een grote vrijheid voor uitvoerders. Op die manier is de muziek minder systematisch uitgewerkt dan die van Steve Reich of Philip Glass. Voor Eastman was de overkoepelende organische op- en afbouw van de muziek belangrijker dan de details.

Racisme, homohaat, en een onvermijdbare ondergang?

Hoewel het moeilijk is om achteraf een beeld te krijgen van de precieze omstandigheden waarin Julius Eastman zijn muzikale carrière opbouwde, kunnen we aannemen dat de tijdsgeest en de culturele context niet bepaald gunstig  waren voor een man met zijn achtergrond, huidskleur en geaardheid. In het lijvige boek Gay Guerilla. Julius Eastman and his music wordt meermaals verwezen naar problemen of moeilijke situaties die met racisme of homohaat te maken hadden. Tot 1980 werden homoseksuele handelingen in de staat New York juridisch gezien nog als criminele feiten beschouwd, en pas in 1986 kwam er een wet die discriminatie op basis van seksuele geaardheid verbood in New York City. Uiteindelijk zou het tot 2003 duren voor homoseksualiteit in de hele VS gedecriminaliseerd werd. Ook wat discriminatie op basis van afkomst of huidskleur betreft, botste iemand als Eastman onvermijdelijk op heel wat drempels. Toch slaagde hij er in om verschillende academische posities te bekleden en om op hoog niveau mee te draaien in de ‘klassieke’ muziekscène.

Op het hoogtepunt van zijn loopbaan combineerde hij het lesgeven met een drukke agenda als uitvoerder én een substantiële output als componist. Wanneer het kort daarna op verschillende vlakken bergaf leek te gaan, lag dat volgens mensen uit zijn nabije omgeving vooral aan zijn eigenzinnige aanpak. Denk aan onaangepast gedrag en grof taalgebruik, niet komen opdagen voor lessen, onvoorbereid naar repetities komen, kortom: zijn eigen gang gaan.

Volgens R. Nemo Hill, die een tijd met Eastman samenleefde en onverbloemd getuigt over hun (seksuele) relatie, had Julius Eastman de weerstand nodig om te kunnen gedijen. Hij zocht bewust de confrontatie op. Hoe paradoxaal het ook mag klinken, ontstaat zo het complexe beeld van een kunstenaar die enerzijds voortgestuwd werd door een gevecht om aanvaarding en gelijkheid, maar tegelijk de echte aanvaarding tegenhield omdat daarmee zijn brandstof zou wegvallen.

Belangrijk hierbij is dat hij zijn ‘personage’ als scheppend of uitvoerend kunstenaar niet kon uitschakelen. Zijn hele manier van leven geraakte doordrongen van zijn artistieke en spirituele overtuigingen, ook als dat destructieve keuzes met zich meebracht. Meerdere mensen gaven aan dat hij onmogelijk was om mee samen te leven, dat hij met niets of niemand rekening hield, en dat hij niet goed omging met autoriteit en hiërarchie. Dat betekent niet dat hij egoïstisch was, want hij zou zijn bezittingen (en die van anderen) zomaar weggeven als iemand anders die meer nodig had. Het einde van zijn leven is gehuld in de nevelen van alcohol en drugs, tot hij helemaal van de radar verdween en als dakloze in New York leefde. Veel van zijn partituren gingen hierdoor verloren. Zijn dood bleef maandenlang onopgemerkt, tot Kyle Gann erover schreef in The Village Voice.

Gay Guerilla. Een statement?

De provocerende titels van Eastman zijn essentieel, maar niet programmatisch. Ze kaderen de muziek zonder haar betekenis vast te leggen. Bij Gay Guerrilla is er wel een onderliggende betekenis denkbaar, al is die niet essentieel voor de muzikale samenhang. Het woord guerrilla verwijst naar een strijd onder de radar, een gevecht van binnenuit dat we in het geval van Eastman makkelijk in verband kunnen brengen met de onderdrukking of onrechtvaardige behandeling van minderheden zoals mensen met een andere huidskleur of geaardheid. De compositie dateert uit 1979, nog voor de hierboven vermelde decriminalisering van homoseksualiteit in New York. De keuze voor een opvallend citaat van het koraal Ein Feste Burg ist unser Gott sluit helemaal aan bij die thematiek en bij het strijdbare karakter van Eastman.

“a guerrilla is someone who is in any case sacrificing his life for a point of view and you know if there is a cause, and if it is a great cause those who belong to the cause will sacrifice their blood, because without blood there is no cause. So therefore that is the reason I use “gay guerrilla” in hopes that I might be one of them, if called upon.”
- Julius Eastman

Gay Guerilla is een typevoorbeeld van de organische repetitieve muziek van Eastman. Vanuit één enkele noot bouwt hij stap voor stap een klankmuur op. De ritmische standvastigheid is meedogenloos, met slechts twee verschillende notenwaarden (achtste noten en kwartnoten) als motor van het hele werk. De exacte muziek staat slechts bij benadering genoteerd, maar het tijdsverloop is wel exact weergegeven in minuten en seconden, waardoor de uitvoerders een globaal kader krijgen om het proces van groei te realiseren. Volledig onbepaald is dan weer de bezetting. De partituur is geschreven ‘for unspecified instruments’, en wordt vaak uitgevoerd op vier piano’s. Meer of andere instrumenten zijn dus zeker niet uitgesloten.

Pas na twee derde van het werk verschijnt het koraal Ein feste Burg ist unser Gott, zorgvuldig voorbereid en lang uitgesteld. Wanneer de melodie vanuit de bassen opborrelt, werkt de herkenning bevrijdend, net zoals in de koraalfantasieën van Bach. De keuze voor een koraal past ook bij het sociaal geëngageerde karakter van Eastmans artistieke praktijk. Niets was meer verbindend in de Lutherse liturgie dan het samen zingen van koralen, melodieën die door de hele gemeenschap gekend waren en die een directe beleving van de religieuze teksten mogelijk maakten. In Ein Feste Burg wordt de gelovige opgeroepen om sterk en trots te zijn en zo weerstand te bieden aan de onderdrukking. Trots tegen onderdrukking – pride against oppression – de connectie met de wereld van Eastman is niet moeilijk te zien.

Het concert wordt voorafgegaan door een gesprek met Klaas Coulembier om 19:15 uur in de Hortahal. Deze ontmoeting is in het Nederlands en in het Frans. De toegang is gratis.