Wat trok je zo aan in Lahiri’s gedichten, en hoe sluit dat aan bij jouw eigen leven?
Ik ken Jhumpa niet persoonlijk, maar er is een indirecte connectie. Net als ik heeft zij wereldwijd geleefd, en dat thema – de sporen van eerdere bewoners, de manier waarop een plek je beïnvloedt – resoneert sterk. Soms leven wij muzikanten meer in hotels, en dat gevoel van tijdelijke thuisloosheid, van energieën die in een ruimte blijven hangen, dat vind ik fascinerend. Lahiri schrijft daarover alsof ze mijn eigen ervaringen in woorden vat. Haar gedichten gaan niet alleen over eenzaamheid in de natuur, maar ook over isolatie in de stad, omringd door mensen en prikkels. Ik voel dat soms sterker in steden dan op het platteland – die eenzaamheid midden in de massa, waar iedereen vlucht in zijn telefoon om de overvloed aan informatie te ontwijken. Dat is een paradox van onze tijd, en dat zit ook in de muziek.
Wat was je uitgangspunt bij dit werk?
Ik zocht een muzikale vertaling van Lahiri’s woorden. Net zoals zij zegt dat je beter gaat schrijven door te vertalen, zo leer ik door te luisteren en te improviseren. In dit stuk stel ik me de vraag: hoe beïnvloedt taal – Italiaans of Engels – het ritme, de expressie, en zelfs de fysieke klank van de muziek? Lahiri leerde van nul Italiaans om zichzelf op een nieuwe manier te kunnen uitdrukken, en vertaalt haar eigen werk terug naar het Engels. Die letterlijke en figuurlijke vertaling interesseert me, zoals wanneer de viool en ik dezelfde melodie spelen, maar met een heel ander karakter. Dat is wat tekst met muziek doet: het verandert de expressie, net zoals een vertaling een gedicht een nieuwe laag geeft.
Waarom koos je voor Cristina Zavalloni, en wat brengt zij specifiek in dit project?
Ik ken Cristina via het werk van Fabrizio Cassol en de opera’s van Andriessen. Ze is echt een complete muzikante, die de grens bewandelt tussen jazz, geïmproviseerde muziek en moderne klassiek. Vanwege haar bereik heb ik bewust momenten gekozen waar ze zingt op het randje van haar stem – ik wil niet alleen schoonheid, maar ook een edge, iets dat leeft. Daar zijn we in het stuk mee gaan spelen. Toevallig had Cristina al een connectie met Lahiri, ze kennen elkaar uit Rome. We kozen samen de teksten, dat was een heel fijn, verrijkend proces. Ik laat haar stem net als mijn sax door tekst en muziek weven.
In dit stuk stel ik me de vraag: hoe beïnvloedt taal – Italiaans of Engels – het ritme, de expressie, en zelfs de fysieke klank van de muziek?
De bezetting is opvallend hoog qua registers. Wat was daar de reden voor?
Ik zocht juist vanwege de textuur instrumenten in hetzelfde register. Zo kwam ik bij cornetto, hobo, violen, sopraansax en mezzosopraan. Contrabas en lage percussie vullen dan de basruimte zonder dat het zwaar wordt. Transparantie is belangrijk voor improvisatie, en ik wilde een rijke en toch lichte klank.
De avond begint verrassend genoeg met Purcell. Wat betekent die keuze voor jou?
Purcell contrasteert met mijn eigen contrapunt, maar vormt ook een spiegel. Zie het als een ouverture: ik improviseer dan een boog van Purcells taal naar die van mij. Maar ik wil niet dat het publiek te veel naar referenties zoekt – het gaat om de sfeer, om de sound die neergelegd wordt. Uit die sfeer komen de saxofoon en de stem, die het werk echt in gang zetten.
Kun je iets vertellen over hoe de verschillende gedichten muzikaal zijn uitgewerkt?
Elk gedicht heeft zijn eigen karakter gekregen. In Poem for Ploughshares, het openingsgedicht van de bundel, introduceer ik eerst een thema met saxofoon en stem, dat dan door het orkest wordt uitgebouwd. Dan komen we in een heel beweeglijk deel, waarboven de poëzie klinkt. Hier is veel variatie mogelijk, ik schreef zaken op die niet per se zo gespeeld moeten worden.
Davanzale (‘vensterbank’) begint heel traag, met lange akkoorden. En dan – denk: Puccini meets Joni Mitchell – gaan we over in jazzharmonieën, een saxofoonsolo, minimalistische structuren, en ritmische wisselingen, tot een bijna Thelonious Monk-achtig avontuur. Het stuk speelt met ternaire en binaire ritmes in de percussie en saxofoon. In die zin gaat het over een ritmisch contrapunt: het Europese vierkwartsgevoel tegenover het Afrikaanse twelve-eight gevoel, die tegenover elkaar worden geplaatst. Dat hoor je vooral in de unisono-passages tussen saxofoon, hobo en cornetto. Het is alsof een barokorkest plots jazz begint te spreken – of andersom.
Cupboard, in het Engels, vertraagt het ritme. Er zit een onderhuidse spanning in, de poëzie zit dicht op de huid, wat tot uiting komt in ostinato’s en enigszins oncomfortabele harmonieën. Het is een beladen gedicht voor mij, over hoe je kunt zijn op een nieuwe plek.
Dan volgt Obiettivo in twee delen, twee versies van hetzelfde gedicht: eerst ritmisch en bijna hiphop-achtig, spoken word, met violen die reageren op de tekst, dan trager en meditatief, met arpeggio’s in de strijkers. Het is een dialoog tussen ritme en stilte.
Na Interlude brengt het slot alle invloeden die je al hoorde op verschillende manieren samen. Ik zette twee keer hetzelfde gedicht op muziek: Ad Alberto de Lacerda, eerst gesproken in het Engels, dan gezongen in het Italiaans. Geen grote apotheose, een langzaam uitsterven, met in de stem, een heel breekbare passage naar het einde toe, waar plots de blues naar voren komt. Alsof je alleen achterblijft met de echo’s van de verhalen.