Gepubliceerd op - Kate Dejonckheere

Zadie Smiths pleidooi voor nieuwsgierigheid en ambivalentie

Met romans als Witte tanden en Over schoonheid groeide ze uit tot een van de meest invloedrijke stemmen in de hedendaagse Engelstalige literatuur. Zadie Smith beweegt zich tussen intellectuele ernst en humor, tussen zelfrelativering en scherpe analyse, en laat tegenstrijdigheden met een opvallende vanzelfsprekendheid naast elkaar bestaan. Steeds opnieuw verzet ze zich tegen simplistische antwoorden en vastgeroeste posities. Die visie loopt als een rode draad door Dood en levend (Dead and Alive), haar jongste essaybundel en tegelijk de aanleiding voor haar komst naar Bozar, waar ze in gesprek gaat met Annelies Beck.

In Dood en levend verkent Smith de spanningen tussen identiteit, taal en macht, en onderzoekt ze hoe kunst en denken zich daartoe kunnen verhouden. Ze pleit daarbij consequent voor meervoudigheid en ambivalentie: niet als abstract ideaal, maar als noodzakelijke manier van kijken in een wereld die vaak naar eenduidigheid neigt. In een van de essays uit de bundel, over de Britse schilder Celia Paul, onderzoekt Smith de macht van de blik in relatie tot gender. Ze illustreert hoe Paul door haar relatie met Lucian Freud lang als muze werd aanzien. Via haar schilderkunst besloot ze echter om zelf te kijken, in plaats van slechts bekeken te worden. Smith meent dat Freud, zoals elke kunstenaar, blinde vlekken heeft en stelt zich kritisch op tegenover ‘cancel culture’, waarbij discussies vaak een simplistische vorm aannemen. Tegelijk benadrukt ze dat misogynie geen blinde vlek is, maar een haarscherp inzicht dat ingebed is in een doorwrochte intellectuele superstructuur.

Ook de koloniale blik komt aan bod. In een essay over de Nigeriaans-Amerikaanse visuele kunstenaar Toyin Ojih Odutola vraagt Smith zich af of kunst louter politiek en artistiek tegengewicht moet bieden aan asymmetrische machtsverhoudingen. In het werk van Odutola herkent ze een ideaal van hybriditeit. Die belangstelling voor complexe identiteiten is ook aanwezig in Smiths fictie. Al in haar debuutroman Witte tanden verkent ze personages die zich bewegen tussen verschillende culturele en sociale werkelijkheden. Ook in Over schoonheid, NW, Swing Time en haar recente historische roman Charlatan (The Fraud) staat meerduidigheid centraal.

Het essay over Kara Walker sluit daarbij aan. In sculpturen die volgens sommige kunstenaars “scabreus” aandoen, onthult de Amerikaanse kunstenaar koloniale machtsverhoudingen. Smith legt de spanning bloot in klassieke verwijten aan kunstenaars uit minderheidsgroepen: enerzijds zouden ze zich behaagziek opstellen tegenover de dominante witte kunstwereld, anderzijds zouden ze met hun werk onvoldoende tegemoetkomen aan de behoefte aan selfcare binnen een zwart publiek. Smith prijst Walkers compromisloze keuze om haar artistieke obsessies te volgen en de onzalige mengelmoes van de geschiedenis volledig te tonen, verwerkt en onverwerkt.

In “Europese familie”, de openingsbeschouwing van de bundel, rapporteert Smith over haar bezoek aan een tentoonstelling in het Palais du Luxembourg rond een Wunderkammer uit Dresden. Ze stelt de zelfvoldane taal van de curatoren in vraag. Volgens haar vatten zij het woord “macht” te letterlijk op, als “het bepalende woord waarmee je de exotische ‘ander’ voorgoed [kon] labelen en verwijzen naar het domein van het gekoloniseerde, het onderworpene en inheemse”. Daartegenover plaatst ze een Chinees porselein genaamd “Europese familie”, een karikaturale representatie van de Europese “ander”. Ze ontleedt ook het woord “eurocentrisch”, dat volgens haar geen recht doet aan de daad van plunderen en toe-eigening, noch aan de particulariteit van de objecten zelf. 

De rol van taal binnen kwesties van macht en identiteit loopt door veel van Smiths essays. Niet toevallig neemt ze opnieuw haar veelbesproken essay “Een pleidooi voor fictie” op, ditmaal onder de titel “Nog steeds gefascineerd”. In deze tekst, die oorspronkelijk in 2019 verscheen in The New York Review, kant ze zich tegen het dominante principe van ‘blijf op je eigen terrein’: het idee dat auteurs alleen kunnen of zouden moeten schrijven over mensen die fundamenteel op hen lijken. Ze erkent de gevoeligheid rond taal in een context waarin woorden worden ingezet voor immigratiepolitiek en militaire strategieën, maar benadrukt dat begrippen als “culturele toe-eigening” geen neutrale elementen zijn. Ook dat zijn taalconstructies die sommige ideeën mogelijk maken en andere beperken. Smith gelooft evenmin dat lezers zich noodzakelijk herkennen in verhalen over identiteiten die nauw bij hun eigen ervaring aansluiten, en neemt het op voor “interpersoonlijk voyeurisme” en meerstemmigheid.

In een tijdperk waarin artificiële intelligentie en autoritaire bewegingen met weinig gevoel voor nuance taal inzetten, positioneert Dood en levend zich als een pleidooi voor nieuwsgierigheid en vrijheid. Auteurs, kunstenaars, lezers en toeschouwers moeten voorbijgaan aan principes die de onbevangen blik en de vrijheid om te denken bemoeilijken. In het voorwoord stelt Smith het als volgt: “binnen de kaften van dit boek ben je vrij om te doen en laten wat je wilt, en die vrijheid is onvoorwaardelijk”.