Gepubliceerd op - Klaas Coulembier

De wonderbaarlijke mandarijn van Béla Bartók

In de concertreeks ‘Echoes of the 20th Century’ vertellen we het verhaal achter twaalf iconische composities uit de 20e eeuw. Op 8 februari brengt het Belgian National Orchestra onder leiding van Antony Hermus Béla Bartóks zinderende 'De wonderbaarlijke mandarijn'.

Dit artikel kadert in

Echoes of the 20th Century

Er bestaat een prachtige aquarel van Béla Bartók die gefascineerd naar een vlieg op een bloem kijkt. Het portret, geschilderd door zijn neef Ervin Voit, raakt de kern van hoe we Bartók kennen: een timide natuurliefhebber met een hart voor het platteland én voor de authentieke muziek van de mensen die de landelijke delen van Hongarije en Roemenië bevolkten. Een stille observator met een ongekend oog (en oor) voor detail. Hij trok erop uit, met opnameapparatuur in de aanslag om de authentieke boerengezangen te registreren. Hij analyseerde de muziek zorgvuldig en maakte gedetailleerde transcripties. Als vanzelf verwerkte hij de vaak eeuwenoude melodieën in zijn eigen werk. Dat deed hij soms letterlijk, maar meestal componeerde hij nieuwe muziek die doordrongen was van de volksgeest die hij tijdens zijn excursies had leren kennen. De toonladders, de kenmerkende samenklanken, de klankkleuren van de instrumenten, …; al deze eigenschappen lieten hun sporen na in het muzikale vocabularium van de Hongaarse componist.

Bij het horen van de openingsmaten van De Wonderbaarlijke Mandarijn, is het bijna niet te vatten dat die zachtaardige, natuur- en mensminnende man, zo’n muzikale kakofonie componeerde. Nochtans deed Bartók hier hetzelfde als in zijn Hongaars getinte muziek: hij observeerde de wereld en kleurde met die observaties zijn eigen muzikale stijl. Alleen is die wereld in het geval van De Wonderbaarlijke Mandarijn geen onschuldige eendagsvlieg of een traditioneel zingende boerenfamilie. Het is een urbane wereld waarin lust en erotiek, verleiding en misleiding, en bovenal bedrog en criminaliteit centraal staan. 

Een moeizaam proces

De Wonderbaarlijke Mandarijn was oorspronkelijk opgevat als een pantomime, een spel zonder woorden. Het verhaal kwam uit de pen van de Hongaarse schrijver Melchior Lengyel. De inkt was amper droog toen Bartók in 1917 begon met de compositie, en toch zou het tot 1926 duren vooraleer het werk in première ging in Keulen. De woelige politieke situatie tijdens en na de Eerste Wereldoorlog had daar veel mee te maken. Bartók had de pianoversie van de partituur klaar, maar begon pas met de orkestratie als hij zeker was dat er een uitvoering zou komen. En net daar liep het niet van een leien dakje, want omwille van de weinig stichtende thematiek bleek er weinig enthousiasme voor de productie. Uiteindelijk werd de première gespeeld in Keulen, in combinatie met Bartóks enige opera, Hertog Blauwbaards Burcht. Deze erg conservatieve en oerkatholieke stad leek niet meteen de ideale plek voor een pantomime over prostitutie en moord, maar het was de eerste kans die zich voordeed om de partituur, die al jaren op de zijkant van Bartóks werktafel lag, van onder het stof te halen.

De eerste uitvoering was geen succes. In het publiek, dat wellicht vooraf al een oordeel klaar had op basis van de aankondiging van het verhaal, ontstond al gauw tumult. Het hele gezelschap, Bartók inbegrepen, werd uitgejouwd. Er kwam geen herneming van de voorstelling, en het werk werd door de burgemeester van Keulen zelfs verboden. En dat voor een werk dat Bartók vele jaren later nog altijd als zijn beste orkestwerk beschouwde! Twee jaar later klonk de iets kortere concertsuite voor het eerst in Boedapest. Pas in 1945, na de dood van Bartók, was de pantomime zelf daar ook te zien.

Het verhaal

We bevinden ons in een drukke stad. Volgens sommige analytici was Bartók geïnspireerd door de levendigheid van Parijs, waar hij minstens in 1905 en 1910 verbleven had, maar de precieze locatie is in het verhaal onbepaald. In die stad ontmoeten we drie schurken die eropuit zijn om mensen te beroven. Hiervoor doen ze beroep op de diensten van Mimi, een mooie jonge vrouw. Zij positioneert zich achter het raam om nietsvermoedende mannen naar binnen lokken. Het eerste slachtoffer is een oude man, maar die blijkt geen cent op zak te hebben. Ook het tweede slachtoffer, een jonge knappe kerel, levert niets op. Maar zoals in elk goed verhaal is de derde keer de goede keer, want dan verschijnt de Wonderbaarlijke Mandarijn op de drempel: een welgestelde Chinese man die vol begeestering naar de jonge vrouw blijft kijken. De schurken beroven hem van zijn rijkdommen, maar ze slagen er niet in om hem weg te jagen zoals de andere mannen. Ook hun verwoede pogingen om hem te doden halen niets uit. Een spannende achtervolgingsscène leidt naar de ultieme en gewelddadige confrontatie. Maar zelfs wanneer ze hem met messteken doorboren en ophangen aan een plafondlamp, weigert de man te sterven. Op een surrealistisch hoogtepunt begint hij zelfs een spookachtig groen licht uit te stralen. Pas nadat de jonge vrouw uiteindelijk toegeeft en hem zijn lusten laat botvieren, bezwijkt hij aan zijn verwondingen.

De muziek

In deze partituur vinden we de merkwaardige combinatie van drie facetten in Bartóks muziek. Net zoals in veel van zijn vroegere werken is de invloed van Debussy nog merkbaar. Bartók schildert de orkestklanken met een uiterst verfijnd penseel en slaagt er net als de Franse impressionist in om beelden op te roepen. Daarnaast horen we hoe onverbiddelijk modern Bartók kon componeren. Hij schuwt de dissonanten niet, hanteert een levendige ritmische taal, en deinst er niet voor terug om de rauwe emoties en agressie van het verhaal te vertalen in violente klanken. Een derde aspect, alomtegenwoordig in de muziek van Bartók, is de invloed van de volksmuziek. Hoewel er in deze partituur geen duidelijke voorbeelden zijn van volkse melodieën of dansen zoals de vaak beschreven verbunkos, is Bartóks taal ook hier doorspekt van de muzikale ingrediënten uit de volksmuziek. Sterker nog: het zijn net die elementen uit de niet-klassieke muziek die zijn taal zo modern maken.

Een duidelijk voorbeeld horen we tijdens de eerste verleidingscène. De houtblazers spelen een melodie in parallele grote secundes. Dat wil zeggen dat dezelfde melodie gespeeld wordt op één toon afstand van elkaar, wat in de klassieke tonaliteit onmogelijk is. Dat klinkt dissonant en modern, maar eigenlijk vond Bartók deze schrijfwijze terug in de Joegoslavische volksmuziek. Later, in het Concerto voor Orkest, zal hij die techniek ook toepassen in een duet tussen twee trompetten.

Bij een woordenloze pantomime maakt de muziek het verhaal ook aanschouwelijk. De ouverture is een erg levendige klankschildering van het stadsgedruis, inclusief het getoeter van auto’s en de chaos op straat. In een brief aan zijn vrouw schreef Bartók over dit begin: “Als het me lukt zal het helse muziek zijn. Het zal klinken als een verschrikkelijk pandemonium”. Wanneer de jonge vrouw op verleidingspad gaat, wordt ze steevast begeleid door sensuele melodieën in de klarinet. De komst van de Mandarijn wordt dan weer aangekondigd door pentatonische, Oosters klinkende melodieën. De achtervolgingsscène op het einde is vormgegeven als een moderne variant van een fuga (erg toepasselijk van het Latijnse fugere, vluchten); een zenuwslopend stuk muziek waarin je de adrenaline van de personages haast mee voelt stromen.

De Wonderbaarlijke Mandarijn is, na Hertog Blauwbaars Burcht en De Houten Prins, Bartóks laatste compositie voor het toneel. De componist was ontgoocheld dat de muziek op zoveel weerstand stootte, terwijl De Houten Prins, een partituur waar hij minder tevreden over was, erg populair werd. Componisten kiezen nu eenmaal niet zelf welke werken hun grootste succes worden.

Op 8 februari om 19u geeft Klaas Coulembier in de Hortahal een inleiding over dit iconisch werk.