Fennesz © Marius Burgelman

Gepubliceerd op - Guillaume De Grieve & Cedric Feys

“Ik ben nog lang niet klaar. Ik blijf nieuwsgierig.”

Interview Fennesz

Nog voor er sprake was van een laptopgeneratie zocht Fennesz de limieten van zijn computerprogramma op en gebruikte hij gulzig effectpedalen voor zijn elektrische gitaar. Dit voorjaar stelt de Weense muzikant zijn jongste langspeler voor, viert hij de 25e verjaardag van het iconische Endless Summer en herenigt hij zich met partner-in-crime Jim O’Rourke. Onze portretartiest is duidelijk nog niet uitgesproken en blikt vooruit.

Bij Bozar krijg je de kans om drie verschillende projecten te presenteren. Is er een rode draad doorheen je werk? 
Je kunt alleen werken binnen je eigen grammatica en taal. In mijn geval draait het om mijn grenzen te verkennen en om te proberen groeien. In samenwerkingen heb ik het gevoel dat ik altijd iets kan leren. Ik ben nog lang niet klaar. Ik blijf nieuwsgierig. De rode draad, denk ik, is een heel persoonlijke benadering gebaseerd op mijn eigen leven en herinneringen.

Zou je stellen dat je werk dan meer over herinneringen gaat of ook over sonische verkenning? 
Beiden. Er zijn altijd mensen die zeggen dat er een romantische kant aan mijn muziek zit. En dat klopt. Tegelijkertijd hoort er ook een heel wetenschappelijke benadering bij. Ik probeer die twee samen te laten bestaan. Ik mag de emotionele kant van muziek niet vergeten, want die is belangrijk voor mij — daarom hou ik ook van pop- en klassieke muziek. Maar tegelijkertijd ben ik heel geïnteresseerd in technologie en waar die me kan brengen.

Over nieuwe technologie gesproken en met het 25-jarig jubileum van Endless Summer in gedachten, vragen we ons af of je nostalgisch bent naar 2001. 
Het is zeker een nostalgisch project. Ik heb net hetzelfde gedaan met mijn album Venice uit 2004 voor de Biënnale van Venetië, een paar weken geleden. Dat werk voorbereiden was als een reis door het verleden. En dat is niet altijd prettig.  

Is je performance van het album door de tijd gefilterd? Heb je nieuwe benaderingen ontwikkeld door de jaren heen? 
Misschien. Ik weet nog steeds niet of ik het oude album gewoon moet brengen zoals het is, of dat ik er hier en daar toch een draai aan moet geven. Ik zal dat tijdens het werkproces ontdekken. 

Zit het materiaal nog in je vingers na al die jaren? 
Sommige dingen bestaan niet meer. (lacht) Sommige opnames zijn weg en andere zijn eigenlijk niet echt speelbaar, zoals de eerste track van Endless Summer. Dat was iets geïmproviseerd op nylongitaar via een Max/MSP-patch. Ik heb nog steeds zo een gitaar, maar die patch niet meer. Dus ik zal manieren moeten vinden om dit te reproduceren. 

Dat is interessant. Het album is niet zo oud, vergeleken met een oud document met lacunes, maar ook hier ontbreekt iets, is er een opening. 
Precies, dat is het probleem hier. Ik ben er nog steeds mee bezig en ik heb mijn weg er nog niet helemaal in gevonden. 

Endless Summer was een commercieel succes. Zou je zeggen dat het album artistiek gezien ook een doorbraak was voor jou? Of zijn er andere projecten die minstens even betekenisvol zijn? 
Artistiek gezien was het eigenlijk al het eerste album, Hotel Paral.lel, waarvan ik dacht: “oké, dit is de richting waarin ik verder wil gaan”. Maar toen ik Endless Summer maakte, was ik me ervan bewust dat dit meer popmuziek was dan al het andere dat ik tot dan toe had gedaan, en dat het waarschijnlijk een breder publiek zou bereiken. Het is niet dat ik het verwachtte, maar ik wist dat het kon gebeuren — en het gebeurde ook.  

Je zal het presenteren samen met de kunstenaar Lillevan. Hoe is die samenwerking ontstaan? 
Lillevan en ik hebben door de decennia heen vaak samen opgetreden. Ik houd enorm van zijn beeldtaal. Hij is videokunstenaar en ook een goede improvisator. Ik componeerde op het podium in realtime en hij doet hetzelfde met een videopatch. Hij kent Endless Summer bovendien heel goed. We hebben veel tracks samen gespeeld, maar nog niet het volledige album. 

Ryuichi Sakamoto, Mike Patton, David Sylvian, Mark Linkous ... De lijst aan samenwerkingen is duizelingwekkend interessant. Die met Jim O’Rourke gaat al dertig jaar terug. Wat zorgt ervoor dat deze geen houdbaarheidsdatum kent? 

Ik heb Jim lang geleden ontmoet, in de jaren ’90. We hadden samen met Peter Rehberg, die helaas in 2021 is overleden, een band: Fenn O’Berg. We hebben toen veel getourd in Europa en Japan, omdat Jim sinds 2005 – na zijn tijd met Sonic Youth - in Japan woont.  

Wat zijn volgens jou zijn grootste kwaliteiten als muzikant? 

Hij kan eigenlijk alles. Hij kan elke stijl en elk instrument bespelen. Hij is als een renaissanceman. Ik hoor het meteen als een plaat door hem is geproduceerd of zelfs gemixt; altijd heel subtiel en verfijnd. Voor mij is hij een van de groten, en ik ben zo blij dat ik na zoveel jaren weer met hem kan spelen. De laatste keer dat we samen speelden was trouwens in Japan, misschien wel twaalf jaar geleden. 

“We zijn net als kinderen die samen spelen. De een heeft een idee, de ander speelt ermee, en dan voegt de andere er opnieuw iets aan toe.” 

Wat mogen we verwachten bij het optreden met O’Rourke? Songs uit It’s Hard For Me To Say I’m Sorry, oud materiaal uit het Fenn O’Berg tijdperk of nieuwe creaties? 

Het wordt iets compleet nieuws. We weten wel nog niet precies wat, omdat het meeste werk dat we doen gebaseerd is op improvisatie. Het is een speciale soort improvisatie met Jim – het is alsof we thema's of halfbakken nummers spelen en de ander daarop reageert. Het lijkt bijna alsof we samen op het podium componeren. Het verschilt dus sterk van vrije jazzimprovisatie. Er is geen vraag en antwoord, maar we creëren iets in realtime

Op jouw jongste soloplaat Mosaic (2024) lijkt de gitaar terug fysieker en hoorbaarder naar voren te komen. Was dit bewust? Het is altijd al een ankerpunt geweest toch? 

Soms was dat inderdaad opzettelijk. Toen ik aan dit album werkte, probeerde ik niet te veel opties in de studio te hebben, omdat ik anders mezelf kwijtraak. Dus concentreerde ik me op de gitaar, op een paar softwaresynths en effecten.   

Als ik Mosaic live speel, let ik veel meer op het live geluid dan bij eerdere albums, omdat het echt groots moet klinken en er veel ruimte in zit. Dus ik kijk ernaar uit om het te presenteren in de nieuwe Zaal M bij Bozar. Ik kon Endless Summer of eerdere nummers heel luid in een punkclub spelen en op de een of andere manier werkte dat. Maar bij Mosaic niet. Er moet een goed geluidssysteem zijn.  

Hoe vind jij het evenwicht tussen analoog en digitaal in jouw creatie- en productieproces? 

Ik heb in de loop der jaren mijn weg gevonden. Soms gebruik ik helemaal geen analoge instrumenten en dan zeggen mensen dat het zeer analoog klinkt. En andersom! (lacht) Natuurlijk zijn mijn gitaren analoog en heb ik veel pedalen waar ik dol op ben, maar uiteindelijk gaat alles toch de computer in. Ik heb plug-ins waar ik heel hard aan heb gewerkt; ik heb ze aangepast tot ze klonken zoals ik wilde. Het is altijd een mix tussen analoog en digitaal. Ik gebruik nog steeds zeer goede analoge equalizers en compressors, maar soms ook een digitale plug-in die net zo goed klinkt. Het maakt niet uit. Als het goed klinkt, klinkt het goed. 

Goed zal het zeker klinken. Je kan onze portretartiest Fennesz dit voorjaar driemaal aan het werk zien.