Net zoals een aantal stromingen binnen het theater, de beeldende kunsten en de film – zoals het Dogma 95-manifest, waarvan Lars von Trier een van de boegbeelden was, dat Bozar in het begin van het seizoen heeft belicht en dat zich afzette tegen de filmindustrie – refereert je cyclus Moda povera aan de noodzaak om op te treden tegen het overmatige gebruik van speciale effecten die leiden tot eenvormige en onpersoonlijke producten. Je performances gaan in tegen de mode en de mode-industrie en mikken op een vormelijke soberheid die expressiever, en in elk geval origineler is.
Olivier Saillard: “Mijn werk grijpt terug naar de arte povera, in die zin dat het de funderingen van een systeem wil slopen of zich eraan wil ontworstelen. Het gaat in de eerste plaats om een weigering om de mode te laten dicteren door wat het meest elitair, luxueus en verhandelbaar is. Mijn eerste performances dateren van twintig jaar geleden. Toen al wou ik bewijzen – en daar was ik natuurlijk niet de eerste in – dat je niet per se rekening hoeft te houden met de verkoopbaarheid om mode te creëren. Je kunt op een andere manier gaan werken, zonder dat je daarbij afstand neemt van de creatie van kleding en de verkoop in boetieks. Ik wou voor mezelf bewijzen dat er ook een veel bescheidener format bestaat dat naar een modepoëtica neigt. In die zin is Moda povera een manier om te zeggen dat doen en bedrevenheid belangrijker zijn dan kunnen verkopen.
Ik breek een lans voor het idee dat je iets kunt creëren zonder je daarbij te laten leiden door een commerciële dynamiek. Met de performance wou ik dat idee kracht bijzetten. Ik heb me niet laten opslokken door het commerciële systeem van de mode en me afgezet tegen een wereld die veel te duur is en onze verhouding tot kleding verziekt. De defilés zijn een spektakel geworden dat op schrale ideeën steunt. Onder invloed van de sociale media werden ze veeleer performatieve evenementen.
Ik zie ook een verband tussen de werking van een museum (n.v.d.r. Olivier Saillard was van 2010 tot 2018 directeur van Palais Galliera, het modemuseum van Parijs) en de mode – of het temperament van de mode – in de uitholling van het kledingstuk. Er is namelijk een gebrek aan aandacht voor wat er in dat kledingstuk zit. Via de performance wil ik me dat aspect opnieuw toe-eigenen. Dat is hier des te zichtbaarder met Les Vêtements de Renée, de kleren van mijn moeder. De performance is een manier om te laten zien dat diegene die het kledingstuk draagt deel uitmaakt van die modepoëtica. In het kledingstuk ontstaat er een intieme verhouding tussen de ontwerper en de drager. Welnu, vaak wordt er te weinig aandacht besteed aan de drager. Een aantal grote modeontwerpers, zoals Martin Margiela, hebben de lichamen die hun creaties dragen absoluut in de verf gezet, maar die couturiers zijn op de vingers te tellen. Met Moda povera focus ik op wat de kleren, die niet verkocht zullen worden, tot uitdrukking brengen. Tot nog toe konden mijn performances opgevat worden als een soort defilés. Maar Les Vêtements de Renée heeft het publiek laten inzien dat het om iets anders gaat.”
De kleren, de houding, het lichaam, de zorg, de woorden of de poëzie zijn de haast systematische bestanddelen van uw performances. Net zoals de traagheid, de herhaling en het ritueel. Beschouw je die als een zoektocht naar een esthetiek van de beweging, of zijn het veeleer gechoreografeerde partituren?
Saillard: “Ik wou de beweging van het model behandelen als de fysieke neerslag van een modecreatie. Dat boeide me, want de modellen belichamen de mode en de kleren voor de helft, en daar krijgen ze maar zelden erkenning voor. De houding van het model heeft iets heel abstracts: verstard lichaam, starende blik, een lichaam dat te aanwezig of te afwezig is … en toch zijn er duizend manieren om te lopen, duizend manieren om te bewegen. Soms zijn die bewegingen de vertaling van een verhouding die mettertijd is ontstaan tussen het model en de couturier. De uitdrukking van het lichaam is daarbij al een sterke interpretatie van de modeontwerper waaraan het model gestalte geeft. Voor Les Vêtements de Renée zijn de bewegingen gaandeweg ontstaan. Neem nu die haarborstel: in het begin heb ik die gebruikt uit praktische overwegingen, om het kapsel van Axelle Doué te fatsoeneren nadat ze een kledingstuk had aangetrokken zodat ze er niet belachelijk zou uitzien. Die malle handeling is uitgegroeid tot een daad waaruit poëtische aandacht spreekt. Ik vind het fijn dat we niet alles in de hand hebben. De mode is een sector die niet van onzekerheid houdt, die zijn partituren uitschrijft. Ze is haar hang naar het onverwachte kwijtgeraakt.
We hebben gebruikgemaakt van de manier waarop Axelle een kledingstuk uittrekt, zonder dat het op een stripteaseact gaat lijken. We zijn nagegaan hoe we geen “modedefilé” konden brengen, zonder daarbij in theater of karikaturen te vervallen. Onze bewegingen staan ten dienste van het kledingstuk en het intieme, zonder verdere opsmuk.”
Voor je performances werk je niet alleen samen met Axelle Doué, zoals hier in Les Vêtements de Renée, maar ook met model Kristina De Coninck en actrice Tilda Swinton. En soms ook met modeontwerpsters.
Saillard: “Over leeftijd spreken is misschien niet zo fatsoenlijk. De modellen, of Tilda, of de couturières boeien me vanwege hun erfgoedkennis, de plek die ze bezetten in de geschiedenis van de mode en het territorium dat ze erin opeisen. Voor mij hebben ze de status van muze of model, maar vooral het levende erfgoed dat ze belichamen wekt mijn interesse. De erfgoedwaarde van hun ervaring, bedrevenheid en verhalen. Als modehistoricus ben ik erg gehecht aan het concept van de levende archieven, en mijn performancepartners werken graag rond dat aspect. Toen ik hen voor het eerst aansprak, waren ze trouwens erg geraakt. Een model heeft maar een korte carrière. Vroeger brachten modellen veel meer tijd door bij de ontwerpers dan tegenwoordig. Ze maakten deel uit van het ecosysteem van het atelier. Tijdens de gesprekken die ik met hen voerde, merkte ik dat ze met plezier terugblikten op dat verleden. Op die tijd waarin de mode-industrie het niet meer over het verleden of leeftijd wou hebben, en zich resoluut op de toekomst richtte.”
Met je verhouding tot de mode breek je, weg van het commerciële systeem, in zekere zin een lans voor de subjectiviteit van de mode die graag strikt wil afbakenen wat schoonheid is. Je creëert een ruimte waarin de schoonheid tot uiting kan komen in de poëzie van de tijd, de woorden en de geschiedenis.
Saillard: “Sierlijkheid. Sierlijkheid veeleer dan schoonheid. Voor mij hangt schoonheid samen met het vermogen van een lichaam of een kledingstuk om een verhaal te vertellen en gewaarwordingen op te wekken, meer bepaald via subtiele details. Schoonheid is subjectief en de mode-industrie kan ervoor zorgen dat we niet langer in staat zijn ze te waarderen. Tijdens mijn performances gelooft het publiek overigens niet altijd dat mijn partners model zijn of waren. Ze zien veeleer een gehavend gezicht of een wat molliger lichaam dan een gezicht of lichaam dat een verhaal of een ervaring vertelt. De tand des tijds kun je natuurlijk niet tegenhouden, maar daar gaat het niet om. De schoonheid uit zich in de ervaring en de bedrevenheid. Het gaat om dat erfgoed van levende archieven dat ze belichamen. En dat wil ik in mijn performances belichten.”
Het archief en de poëzie …
Saillard: “Poëzie brengt niets op, hoor je weleens. Ik denk dat ik die kwetsbaarheid najaag wanneer ik mijn eigen modeterritorium uitvind.”
3 + 4 Apr.'26 - Olivier Saillard. Moda povera V: Les vêtements de Renée