Sinds ik klein ben huiver ik bij het idee dat dieren gevierendeeld en vervolgens naakt uitgestald worden, alsof het ook mij zou kunnen overkomen. De misleidende nieuwe winkelinrichting is dus ook de enige reden waarom ik in deze rayon terechtgekomen ben. Ik zou natuurlijk zonder kijken door kunnen lopen, het slagveld kunnen negeren, maar ik vertraag en schuim de vitrines een voor een af. De vleeswaren liggen er bedrieglijk rustig bij — mals en smakelijk — en heel even denk ik terug aan zomerbarbecues en bourgondische afsluiters van nachten uit. Ik heb het eten van dieren jaren geleden afgezworen, maar Ocean Vuong heeft gelijk: het is moeilijk te weerstaan wat verrukkelijk gepresenteerd en onder je neus geschoven wordt.
Vuongs nieuwe roman, De keizer van Gladness, kan gelezen worden als een diepgaande kritiek op de voedingsindustrie – een spiegel op het leed dat mensen ook elkaar aandoen, zoals de schrijver vertelt in de podcast Oprah’s Book Club. Aan de hand van het fictieve fastfoodrestaurant HomeMarket, waar het verhaal zich grotendeels afspeelt, portretteert hij de massaproductie en artificiële aard van ultrabewerkt voedsel.
Voor vlees dat het etiket ‘ethisch en biologisch’ krijgt, is Vuong evenmin mild. Halverwege het boek is het hoofdpersonage Hai met een paar collega’s van HomeMarket opweg naar een varkenshouderij met ‘vrije uitloop’. Wayne, die op het werk de kippen braadt, heeft hun voorgesteld om hem tijdens het weekend te helpen om vlees te verpakken. Wat een makkelijke en goed betaalde extra klus leek, draait uit op een bloederige jacht- en slachtscène in de schuur. De enige toegang tot de buitenlucht is een smalle ren aan de zijkant, zo klein dat geen van de varkens er ooit gebruik van heeft kunnen maken.
Naast de voedingsindustrie zijn verzinsels ook in de persoonlijke levens van de personages alomtegenwoordig. Hai houdt bij zijn moeder vol dat hij geneeskunde studeert in Boston, Auntie Kim laat Hais neef Sony geloven dat zijn vader nog leeft, en Hais collega Maureen is ervan overtuigd dat de wereld bestuurd wordt door ondergrondse reptielen die zich voeden aan menselijk lijden. Telkens weven de personages verhalen om zich te beschermen, zich staande te houden, of een ander niet teleur te stellen. Kortom: om te overleven. Schoonheid verzacht wat te rauw is om rechtstreeks aan te kijken.
Tegelijkertijd laat Vuong zien dat schoonheid niet beperkt is tot het ogenschijnlijk perfecte. De harde werkomstandigheden en de sluimerende wanhoop maken van de HomeMarket-ploeg een zelfgekozen familie, waarin Russia ondanks zijn Gollum-achtige uiterlijk begeerte oproept in Hai. East Gladness, de fictieve en postindustriële stad waar het verhaal zich situeert, krijgt in al haar ruigheid toch een magische en schilderachtige gloed. En dan is er natuurlijk nog de relatie tussen Hai en Grazina, de oudere en zorgbehoevende Litouwse vrouw, die ervoor kiezen om elkaar te redden.
Zoals in zijn poëziebundels en debuutroman laat Ocean Vuong opnieuw zien hoe het menselijke leven voortdurend op de rand van ontwrichting balanceert. Zijn werk is sterk gevormd door zijn achtergrond. Geboren in Vietnam en opgegroeid in een armere buitenwijk van Connecticut, leerde hij al vroeg hoe geweld en kwetsbaarheid voortdurend in elkaar grijpen. Die gevoeligheid culmineerde in zijn bejubelde debuutroman Op aarde schitteren we even, geschreven als een brief aan zijn analfabete moeder. Het is een coming-of-ageverhaal, maar ook een poging tot heling: Vuong onderzoekt hoe identiteit ontstaat in de schaduw van trauma, armoede en migratie, en hoe liefde juist binnen zulke omstandigheden een onverwachte schoonheid kan aannemen.
In De keizer van Gladness zet Vuong die ambiguïteit nog explicieter in: schoonheid en wreedheid blijken geen tegenpolen, maar verenigen krachten die het leven samen vormgeven, vooral voor wie zich in een kwetsbare- of minderheidspositie bevindt. Vuong laat zien hoe etniciteit, sociale klasse en seksualiteit niet alleen thema’s zijn, maar structuren waarbinnen elke vorm van intimiteit moet worden herwonnen. Daardoor blijft elk persoonlijk moment ingebed in een bredere, vaak sombere Amerikaanse realiteit. Die gelaagdheid kondigt zich al aan in de openingszin: “The hardest thing in the world is to live only once. But it’s beautiful here, even the ghosts agree”. In die ene paradox – dat het leven pijnlijk is en toch schittert – ligt misschien wel het hart van Vuongs schrijverschap.