Eind maart 1993 wisten heel wat treinreizigers wellicht amper wat hen overkwam toen ze de imposante stationshal van Antwerpen-Centraal binnenliepen. Onderweg naar het perron kregen ze de klank van een arsenaal aan klarinetten, hoorns en percussie over zich heen. Ze waren getuige van de eerste uitvoering van Talisker. Het was de spectaculaire opener van Antwerpen 93, een festival om te vieren dat de stad zich een jaar lang Culturele Hoofdstad van Europa mocht noemen.
Luc Brewaeys, een zelfzekere spectralist
Luc Brewaeys liet zich op jonge leeftijd al opmerken door een ontwapenende combinatie van branie en intellect. Doorheen de verschillende biografische teksten die sinds zijn voortijdige overlijden in 2015 zijn verschenen, ontvouwt zich een helder beeld van de componist als een genereuze, getalenteerde en bijzonder creatieve persoonlijkheid. Dat beeld wordt nog versterkt door de vele persoonlijke getuigenissen van mensen met wie hij nauw samenwerkte. Wat telkens bovendrijft zijn het enthousiasme, de energieke bevlogenheid, de vakkennis, de liefde voor muziek en mensen, en de kunst om van het leven te genieten. Al deze aspecten vinden we ook terug in zijn muziek. Korte gelegenheidswerken of grootse symfonieën: elk werk is doordrongen van zijn unieke persoonlijkheid.
Met persoonlijkheid alleen bouw je natuurlijk geen muzikale taal. Voor Luc Brewaeys lag de sleutel tot compositie bij het spectralisme. In die stroming gaan componisten op zoek naar structuren en klanken door de interne opbouw van het geluid zelf te analyseren. De harmonische verhoudingen tussen de verschillende boventonen, die samen de klankkleur van een toon bepalen, zijn het uitgangspunt voor uiteenlopende muzikale realisaties. Brewaeys vertrekt doorgaans van een welbepaalde grondtoon en bouwt aan de hand van de boventonenreeks zijn muzikaal vocabularium op.
Die fascinatie voor klank vertaalt zich niet alleen in een grondige studie van hoe klanken zijn opgebouwd – de analyse – maar voedt ook de zoektocht naar nieuwe, en vaak letterlijk ongehoorde klanken. Meestal ontstaan die door de uitgekiende combinatie van klassieke instrumenten, waarbij een nieuwe totaalklank ontstaat uit de optelsom van vele kleine klankdeeltjes. In enkele gevallen breidt Brewaeys zijn klankenarsenaal ook letterlijk uit met vreemde instrumenten zoals een badkuip, een stookolietank of een grote metalen vuilnisbak. Dat laatste was althans de bedoeling in Talisker, maar een veiligheidsvoorschrift van de brandwaar stak daar een stokje voor.
Resonantie
De specifieke ruimte waarvoor Talisker gescheven is, zou de meeste componisten afschrikken. Net zoals in grote kathedralen is de extreem lange nagalmtijd van de grote stationshal in Antwerpen een akoestisch gegeven dat je niet kan uitschakelen. Maar als je ergens niets aan kan doen, kan je er wel iets mee doen. Luc Brewaeys besloot dan ook om die nagalmtijd van meer dan acht seconden te omarmen en zijn werk rond dat interessante akoestische fenomeen op te bouwen. Het is veelzeggend dat de componist later dat jaar zijn vijfde symfonie schreef en daarbij met elektronische middelen echo’s en resonanties creëerde. Deze vijfde symfonie kreeg trouwens de naam Laphroaigh, net zoals Talisker een single malt whisky. Het is niet zo dat Brewaeys de eigenheid van de whisky in muziek wilde vatten, maar net zoals met dit soort complexe dranken vraagt ook zijn muziek een bewuste, nieuwsgierige degustatie met een grote openheid voor onbekende paletten.
Door de extreme resonantie in de stationshal worden de klanken veel meer met elkaar vermengd dan in een concertzaal met een nagalmtijd van één tot anderhalve seconde. Zo kon Luc Brewaeys andere samenklanken creëren en instrumenten zelfs met zichzelf laten resoneren. Eén van de speeltechnieken die hij daarvoor gebruikt is een oscillerende beweging: het snel afwisselen tussen twee verschillende tonen. Dankzij de nagalm ontstaat de illusie dat die tonen tegelijk klinken.
Een ander spitsvondig idee waarmee de componist graag speelt is het vermengen van verschillende klankkleuren. Door bijvoorbeeld de hoorn zachtjes te laten inzetten terwijl de galm van een luide noot op de klarinet nog aan het uitsterven is, ontstaat er een naadloze verbinding tussen beide instrumenten.
Deze zorgvuldige orkestratie hangt nauw samen met de unieke bezetting van Talisker. De partituur is geschreven voor een 22-koppig clarinet choir en zes percussionisten, aangevuld met solisten op klarinet, contrabasklarinet, hoorn en slagwerk. De combinatie van alle mogelijke klarinetten (van de kleine es-klarinet tot de indrukwekkend lage contrabasklarinet) met hoorn levert een vrij homogeen klankbeeld op. De percussie bestaat uit velinstrumenten (bongo’s en verschillende soorten trommels), melodisch slagwerk en allerlei gongs. Ook hier speelde de akoestiek een rol in de instrumentkeuze: klanken met een duidelijke aanzet blijven ritmisch leesbaar, ondanks de lange nagalm.
Zoals eerder vermeld, droomde Luc Brewaeys van een grote metalen container als muziekinstrument. Deze zou op een bepaald moment vanop grote hoogte naar beneden vallen, met een hels lawaai als gevolg. Toen dat idee om veiligheidsredenen werd afgevoerd, vond de componist een waardig alternatief in het laten vallen van enkele cymbalen op het podium. Het resultaat is een sonore schok, precies waar Brewaeys naar op zoek was. (Al had hij ongetwijfeld ook wel genoten van de verbaasde blikken in het publiek mocht er effectief een container van het plafond gevallen zijn). Cruciaal is echter wat volgt na de schok. Hoe komen andere klanken binnen nadat de luisteraar is opgeschrikt door een groot lawaai? Hoe beïnvloedt die verrassing de waarneming die erop volgt.
Een ander, veel subtieler effect ontstaat wanneer enkele klarinettisten spelen met hun klankbeker tegen een paukenvel. De trillingen van hun instrument worden verdergezet in de pauk, waarvan de toonhoogte met behulp van een pedaalsysteem kan worden geregeld. Zo creëert Brewaeys een nieuwe klankkleur met bestaande middelen, en bovendien een klankkleur die eveneens gebaat is bij een weelderige akoestiek. Diezelfde akoestiek verleent de muziek een zekere statische indruk, hoewel de partituur op zich behoorlijk ritmisch is.
Talisker in de Ravensteingalerij
In een artikel uit 1993 omschreef Eric Antonis, intendant van Antwerpen 93, de uitvoering van Talisker als “een klein mirakeltje”. Wellicht had niemand de grote impact van deze happening voorzien. Meer dan dertig jaar later is Talisker al vele malen opnieuw uitgevoerd, wat vrij uitzonderlijk is voor een locatieproject. De Ravensteingalerij in Brussel, ook een plek waar dagelijks talloze pendelaars voorbijkomen, is een interessante ruimte voor deze compositie. Een deel van de muzikanten wordt opgesteld in de hogere galerijen en beweegt langs de trappen door de ruimte. Het resultaat is een ervaring waarbij je zelf op de favoriete plek van Luc Brewaeys staat: midden in de klank.